Lokale democratie draait grotendeels op portemonnee van politici zelf. 'Wij moeten ons campagnebudget bij elkaar sprokkelen'

vrijdag, 6 februari 2026 (12:13) - Dagblad van het Noorden

In dit artikel:

De campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart is begonnen, maar de vraag hoe lokale partijen die campagnes betalen staat centraal. In Nederland komt het grootste deel van de geldmiddelen niet van rijke buitenstaanders maar van de eigen raadsleden en wethouders: zij dragen een deel van hun vergoeding af aan de partijkas. Hoeveel dat is, verschilt sterk per partij: voorbeeldwaarden variëren van circa 6,5% (Student en Stad Groningen) tot bij de SP gebruikelijke afdragen van de helft tot driekwart van de vergoeding.

Er hangt ook een structurele wijziging in de lucht: de Wet op politieke partijen voorziet in een totale subsidie van 8,15 miljoen euro voor lokale partijen en lokale afdelingen van landelijke partijen. Die middelen moeten de positie van kleinere, autonome lokale partijen versterken en zorgen voor meer gelijkheid in de lokale politiek, aldus de Vereniging Nederlandse Gemeenten. Omdat het wetsvoorstel nog in behandeling is, is het geld echter nog niet beschikbaar.

De financiële werkelijkheid verschilt per soort partij. Lokale afdelingen van landelijke partijen (bijvoorbeeld D66, VVD, CDA, GroenLinks-PvdA) krijgen organisatorische en soms financiële steun van hun landelijk bestuur en een klein bedrag per lid (ongeveer 5–6 euro per lid, in het geval van D66 Groningen leidde dat in vier jaar tot circa 20.000 euro spaargeld). Maar lokale afdelingen moeten ook bijdragen aan landelijke campagnes, waardoor de netto-ondersteuning beperkt is. Kleine lokale partijen zonder landelijke achterban — zoals VZ Westerkwartier, Lokaal Belang Eemsdelta, of de Verenigde Communistische Partij in Oldambt — zijn volledig afhankelijk van eigen bijdragen, donaties en creatieve, goedkope promotie.

Die ongelijkheid leidt tot kritiek. Lokale partijen voelen zich in sommige gevallen oneerlijk bevoorrecht als ook lokale afdelingen van landelijke partijen aanspraak maken op de nieuwe subsidie: landelijke partijen ontvangen al structurele steun op landelijk niveau, terwijl veel lokale partijen die aanvullende bron nooit hebben gehad. Tegelijkertijd benadrukken landelijke afdelingen dat zij niet royaal bedeeld zijn en ook moeten “sprokkelen” om advertenties of radioreclame te betalen.

Praktische voorbeelden tonen de verschillen: in Veendam levert het hebben van zeven raadszetels (een derde van de raad) een substantieel kampanjebudget op via afdracht, maar dat betekent nog niet dat grote mediacampagnes haalbaar zijn. De Partij voor het Noorden moest het recent doen met een campagnebudget van circa 9.000 euro; een eerdere campagne van 3.500 euro leverde al twee zetels op, wat laat zien dat creativiteit en lokale zichtbaarheid soms zwaarder wegen dan omvangrijke uitgaven. Student en Stad in Groningen leeft vooral van de salarisafdrachten van drie raadsleden en fractieassistenten en vraagt oud-leden om steun omdat studentenbudgets beperkt zijn.

Een structureel mechanisme versterkt bestaande machtsposities: meer zetels leiden tot hogere afdracht en dus een groter campagnebudget, wat weer de kans vergroot op extra zetels. Daarnaast spelen praktische regels mee: sinds oktober vorig jaar mogen partijen niet meer adverteren op sociale media, waardoor betaalde online zichtbaarheid voor veel kleine partijen wegvalt en de concurrentie om betaalbare lokale media en creativiteit groter wordt.

Kortom: lokale campagnes in Nederland draaien grotendeels op eigen bijdragen van lokale politici, aangevuld met beperkte lidmaatschapsopbrengsten en fondsenwerving. De toekomstige wetsubsidie kan het speelveld egaler maken, maar de verdeling tussen echte lokale partijen en lokale afdelingen van landelijke partijen blijft een bron van discussie.