Lodewijk van Oords gebrek aan emotie in zijn Palestina/Israël-relaas is een verademing
In dit artikel:
In zijn boek *Staat van verbeelding* onderzoekt Lodewijk van Oord hoe het langdurige conflict tussen Israël en Palestina is ontstaan en welke rol ideeën, verhalen en nationale mythes daarin spelen. Volgens de historicus en docent conflictstudies is de natiestaat geen vanzelfsprekende politieke organisatievorm, maar een relatief recente constructie die door verbeelding, macht en geweld werkelijkheid is geworden.
Van Oord plaatst de wortels van het conflict in de negentiende eeuw. Hij begint bij de Schotse protestantse theoloog Alexander Keith, die meende dat de Bijbelse terugkeer van de joden naar hun historische land noodzakelijk was voor de komst van de Messias. Zijn voorstelling van joden als een volk zonder land en Palestina als een land zonder volk negeerde zowel de bestaande joodse gemeenschappen in Europa als de Arabische bevolking van Palestina. Toch kreeg dit beeld grote invloed en wordt het nog altijd gebruikt als rechtvaardiging voor het bestaan en het beleid van Israël.
In een historische tocht langs schrijvers, politici, wetenschappers, archieven en bibliotheken behandelt Van Oord onder anderen Theodor Herzl, Ze’ev Jabotinsky, Ahad Ha’am, Martin Buber, Hannah Arendt en Edward Said. Hij laat zien dat het zionisme nooit één samenhangende ideologie is geweest: naast nationalistische en koloniale denkbeelden bestonden ook kritische, humanistische en antizionistische stemmen. Europese en vooral Britse imperiale belangen, christenzionisme en de strategische waarde van olie droegen volgens hem eveneens bij aan de tragedie die zich in de regio voltrok.
De actualiteit van zijn analyse werd volgens de recensent opnieuw zichtbaar na de aanval van 7 oktober 2023 en de daaropvolgende escalatie van het geweld. Van Oord betoogt dat dit geweld niet plotseling is ontstaan, maar voortkomt uit een werkelijkheid die vanaf de stichting van Israël in 1948 structureel onhoudbaar was: een nieuwe staat werd gevestigd in een gebied waar al een bevolking woonde. Hij wijst scherp op het huidige Israëlische leiderschap, dat volgens hem een oorspronkelijk politiek programma van hoop heeft veranderd in een project van wreedheid en wraak.
De kracht van het boek ligt volgens de bespreking in de meerstemmige en erudiete aanpak. Van Oord probeert geen definitief oordeel op te leggen, maar maakt zichtbaar hoe geschiedenis steeds opnieuw wordt geïnterpreteerd en hoe politieke wensen voorafgaan aan concrete grenzen, verdragen en oorlogen. Zijn afstandelijke, systematische stijl biedt houvast in een sterk gepolariseerd debat zonder het leed of het onrecht te verdoezelen.
Tegelijk ziet Van Oord verbeelding niet alleen als bron van nationale mythes en geweld, maar ook als mogelijkheid voor verandering. Via literatuur, onder meer het werk van Mahmoud Darwish en teksten die zich tussen Arabisch en Hebreeuws bewegen, kunnen bestaande etnische en nationale grenzen worden bevraagd. De auteur houdt vast aan de mogelijkheid van een rechtvaardige toekomst, al acht hij daarvoor externe politieke interventie nodig. De recensent vindt die oplossing problematisch omdat ze de autonomie van Israëliërs en Palestijnen kan beperken, maar waardeert de hoop dat kennis en verbeeldingskracht ontmenselijking kunnen tegengaan.
Vandaag Inside: Johan Derksen: ‘Ik word beroerd van mensen die blijven protesteren tegen Marco Borsato’