Lijfrente op de einddatum: sinds 2026 heb je tot het jaar na je AOW-leeftijd plus 5 jaar de tijd, daarna dreigt 20% revisierente
In dit artikel:
Sinds 1 januari 2026 geldt voor de meeste lijfrenteverzekeringen, lijfrenterekeningen en lijfrentebeleggingsrechten een nieuwe uiterste termijn om de uitkeringen te laten starten. Die termijn hangt niet langer af van de contractuele einddatum. De eerste uitkering moet uiterlijk plaatsvinden op 31 december van het jaar na het jaar waarin iemand de AOW-leeftijd plus vijf jaar bereikt. Wie de termijn laat verlopen, wordt geacht de lijfrente te hebben afgekocht. Omzetten in een andere lijfrente verlengt de termijn niet. Voor lijfrenten uit het oude regime, afgesloten vóór 2001, kan de oude regeling nog gelden.
Bij afkoop of het niet naleven van de fiscale voorwaarden wordt de waarde of afkoopsom belast in box 1. Meestal houdt de verzekeraar, bank of beleggingsonderneming 52 procent loonheffing in; die wordt later verrekend in de aangifte. Daarnaast is doorgaans 20 procent revisierente verschuldigd. Niet-afgetrokken premies en stortingen mogen onder voorwaarden in mindering worden gebracht. Voor afkoop binnen tien jaar na het einde van het afsluitjaar kan de tegenbewijsregeling de revisierente verlagen.
Voor kleine lijfrenten geldt in 2026 een vrijstelling van revisierente bij een afkoopsom of opname van maximaal €5.513. Er blijft dan wel inkomstenbelasting verschuldigd. De regeling geldt niet altijd, bijvoorbeeld wanneer de oorspronkelijke afkoopsom hoger was, meerdere nog niet ingegane lijfrenten bij dezelfde aanbieder meetellen of de uitkering al was begonnen. Ook bij afkoop wegens langdurige arbeidsongeschiktheid kan revisierente achterwege blijven, zolang aan voorwaarden voor leeftijd, medische onderbouwing en het opgenomen bedrag wordt voldaan.
Wie na het bereiken van de AOW-leeftijd kiest voor een tijdelijke oudedagslijfrente, moet die minimaal vijf jaar ontvangen. In 2026 mogen de jaarlijkse uitkeringen uit zowel een verzekering als banksparen maximaal €27.192 bedragen. Bij een hoger bedrag gelden zwaardere eisen: een lijfrenterekening of beleggingsrecht moet dan minimaal twintig jaar lopen, verminderd met het aantal jaren sinds de AOW-leeftijd, terwijl bij een verzekering een levenslange uitkering nodig is.
Voor nabestaanden verandert de termijn niet. Zij kunnen de uitkeringen laten ingaan in het jaar van overlijden of in een van de twee daaropvolgende kalenderjaren. Bij bijzondere omstandigheden kan de Belastingdienst op verzoek uitstel verlenen.
Vandaag Inside: Johan Derksen reageert op uitspraken woonminister: 'Ze heeft het gewoon niet in de hand!'