Lieke Marsman | Column Joost Oomen
In dit artikel:
Ik kende Lieke Marsman niet intiem — we groetten elkaar op festivals en feesten, maar onze kringen en werk liepen weinig parallel — toch schrijft Joost Oomen nu over haar omdat hij haar de beste dichter van zijn generatie acht. Hij schetst een levendig beeld van haar optreden in april bij Poëzie in Carré: als openingsdichter stond ze voor een volle zaal van zo’n tweeduizend mensen en wist ze met haar eerste regels iedereen muisstil te krijgen. Het was een uitzonderlijk begin: normaal staat de eerste voordrager op een nadeel, maar Marsman vulde het theater volledig met haar stem; toch was ze zichtbaar kwetsbaar en beverig, en even later verdween ze tijdens de pauze tussen de coulissen.
Oomen waarschuwt tegen het makkelijk verheerlijkende verhaal dat vroegtijdige dood kunstenaars extra glans zou geven. Hij benadrukt dat kunst voortkomt uit iemands leven, en dat je een dichter juist zo lang mogelijk wilt behouden — niet om het drama, maar om de toekomst aan werk die nu wegvalt. Marsmans overlijden op 35 jaar betekent voor hem het verlies van tientallen ‘eerste lentes’: momenten, beelden en gedichten die niet meer zullen komen.
De tekst is een persoonlijke lofzang en een klaagzang tegelijk: bewondering voor haar uitzonderlijke podiumkracht en poëtische stem, en verdriet om het wegvallen van een van de markantste stemmen van haar generatie.