Liefst vijf broers en zussen van Aletta Jacobs schrijven ook geschiedenis: 'Charlotte was minstens zo bijzonder'
In dit artikel:
Aletta Jacobs (1854–1929) blijft de bekendste figuur uit het Groningse gezin Jacobs — niet onterecht: zij was de eerste vrouw die in Nederland promoveerde en als arts werkte en speelde een sleutelrol in de internationale vrouwenemancipatie. Maar haar broers en zussen waren eveneens opvallend ambitieus en in meerdere gevallen pioniers; vooral Charlotte verdient veel meer aandacht dan ze doorgaans krijgt.
Het gezin telde elf kinderen van huisarts Abraham Jacobs en Anna de Jongh. Vijf van hen maakten bijzondere carrières en vijf verbleven kort of langdurig in Nederlands‑Indië. Inge de Wilde (1940), die onderzoek deed naar Aletta en in 2018 het boek Een sterke wilskracht publiceerde, trekt die familiegeschiedenis uit de schaduw en schetst verschillende levenspaden — met zowel bewonderenswaardige prestaties als de schaduwzijde van koloniale opvattingen.
Belangrijkste familieleden kort op een rij:
- Julius Karel (1842–1895): de oudste broeder werd arts, officier van gezondheid in het KNIL en publiceerde spraakmakende werken over etnografica en de Atjeh‑oorlog. Zijn geschriften tonen soms neerbuigende houdingen tegenover inheemse bevolkingen.
- Charlotte Jacobs (1847–1916): in 1881 de eerste vrouw in Nederland die slaagde voor het apothekersexamen. Ze vertrok zelfstandig naar Nederlands‑Indië, opende daar als eerste vrouw een apotheek en keerde na circa dertig jaar terug om samen met Aletta te strijden voor vrouwenkiesrecht. De Wilde benadrukt dat Charlotte daarmee minstens zo baanbrekend was als Aletta.
- Johan Rudolf (1851–1906): maakte carrière in Indië tot luitenant‑kolonel van het KNIL, werd directeur van een Nederlandse wapenfabriek en promootte technische innovaties zoals het dynamietkanon en een treinconcept voor gewone wegen. Hij werd later de eerste commandant van het Korps Nationale Reserve. Ook hij schreef over koloniale krijgsleven, met een militaristische inslag.
- Eduard Jacobs (1855–1921): keerde terug naar Nederland en werd de eerste Joodse burgemeester in Nederland (Lonneker, later Almelo). Daarnaast was hij betrokken bij de oprichting van coöperatieve bankinitiatieven die later in de Rabobank opgingen.
- Frederika Jacobs (1857–1896): pionier in het onderwijs: een van de eerste meisjes op een jongens‑HBS, behaalde MO‑akten in wiskunde en boekhouden en was de eerste schrijfster van wiskundeboeken voor de school.
De Wilde wijst op factoren die hun keuzes beïnvloedden: het progressieve klimaat in Groningen, een vader die zijn dochters aanmoedigde, en praktische motieven om naar Indië te gaan — minder antisemitisme, salarisvoordelen en avontuur. Toch zijn veel details onduidelijk omdat veel persoonlijke correspondentie ontbreekt; mogelijk is veel briefmateriaal vernietigd. Daardoor blijven levens van sommige kinderen (zoals Sam, Herman, Marianne) te fragmentarisch voor uitgebreide reconstructies. Over Frederika stokt de informatie na haar 28ste; van zus Emma is bekend dat ze lange tijd bij haar ouders bleef en mogelijk lichamelijk of geestelijk gehandicapt was.
De familie Jacobs toont hoe ambitie, opleiding en koloniale mobiliteit elkaar in de late 19e eeuw kruisten: de broers en zussen openden nieuwe wegen in geneeskunde, bestuur, wetenschap, techniek en onderwijs, maar hun verhalen bevatten ook de harde kanten van het koloniale denken van hun tijd. De publicaties en tentoonstellingen van Inge de Wilde dragen bij aan een bredere erkenning van deze vaak vergeten levens, met name die van Charlotte Jacobs.