Liefde als realiteit, terreur en hoop: de vier mannen rondom James Baldwin

dinsdag, 30 december 2026 (13:20) - NRC Handelsblad

In dit artikel:

Nicholas Boggs’ nieuwe biografie Baldwin. A Love Story plaatst James Baldwin niet primair als intellectuele strijder tegen racisme, maar als een man wier liefdesleven wezenlijk zijn denken en schrijven heeft gevormd. Waar eerdere levensbeschrijvingen vooral de politieke kant van Baldwin benadrukten, zoomt Boggs in op vier mannen die zijn bestaan bepaalden — vooral de schilder Beauford Delaney en de zwitser Lucien Happersberger, de Turk Engin Cezzar en de Fransman Yoran Cazac — en laat zien hoe intimiteit, verlies en heimwee doorwerken in zijn oeuvre.

De biografie start met Baldwins dalende reputatie in de jaren zestig en zeventig: kritieken bestempelden sommige romans als te simplistisch of propagandistisch, kinder- en essayboeken verdwenen of kregen koud ontvangst. Tegelijk was zijn privéleven rommelig; jonge liefdes liepen stuk, en de zelfmoord van een jeugdvriend (Eugene) liet een schuldgevoel achter dat terugkeert in Giovanni’s Room. Boggs schetst hoe zulke persoonlijke tragedie en verlangen als drijfveren fungeerden voor Baldwins kunstzinnige reflecties over identiteit en hartstocht.

Boggs legt nadruk op de wisselwerking tussen seksualiteit en ras. Baldwin zag homoseksualiteit en racisme niet los van elkaar: de angst van de witte meerderheid richtte zich zowel op de 'freak' als op de zwarte man, en Baldwin belichaamde die dubbele bedreiging. Delaney speelde een cruciale rol: in diens atelier leerde Baldwin anders kijken naar kleur, muziek en schoonheid, en ontdekte hij zijn seksuele verlangens. Delaney bood ook een vorm van artistieke opvoeding en emotionele stabiliteit die essentieel bleek voor Baldwins ontwikkeling als schrijver.

Een ander belangrijk hoofdstuk in Boggs’ verhaal is de relatie met Richard Wright, die Baldwin aanvankelijk op weg hielp maar later fel kritiek uitte op Baldwins kritiek op Native Son en zijn stijl. Die breuk markeerde een generatieconflict en dwong Baldwin om zijn artistieke identiteit scherper te definiëren. Parijs bood Baldwin in 1948 zowel vlucht als ruimte om te schrijven; met Go Tell It on the Mountain en vooral zijn essays (Notes of a Native Son) vestigde hij zich steeds duidelijker als bepalende stem van zijn generatie.

Toch was Baldwins terugkeer naar de Verenigde Staten niet alleen politiek gemotiveerd. Boggs betoogt dat de leegte van mislukte liefdes ook meebepaalde waarom Baldwin betrokken raakte bij het zuiden en de burgerrechtenbeweging. Daar verloor hij niet alleen vreedzaamheid: hij werd geconfronteerd met geweld, surveillantie door de FBI en de constante spanning tussen de performer die het publieke debat aankon en de schrijver die afgeschermde afzondering nodig had.

Boggs’ biografie onderscheidt zich door uitgebreide aandacht voor privérelaties en door gesprekken die anderen biografen niet voerden — hij spreekt bijvoorbeeld uitvoerig met Yoran Cazac en laat zich in het slothoofdstuk soms nadrukkelijk als verteller zien. Die persoonlijke toets kan als ijdelheid overkomen, maar levert tegelijk een rijk, intiem portret op van een schrijver die zowel door genegenheid als door de vijandigheid van de buitenwereld werd gevormd.

Het boek plaatst Baldwin ook in een bredere biografietrend: hedendaagse levensbeschrijvingen kiezen steeds vaker een expliciet invalshoek — postkoloniaal, gendergericht of vanuit de ‘female gaze’ — om zo nieuwe inzichten uit een bekend leven te distilleren. Boggs’ benadering benadrukt dat Baldwins werken niet louter politieke analyses zijn, maar ook getekend door liefdes, verlangens en littekens. De latere herwaardering van Baldwin — schrijvers zouden hem nu het liefst aan de dinertafel zien zitten — onderstreept dat zijn betekenis pas echt zichtbaar werd voor volgende generaties.