Levi Jacobs: 'Ik heb 'Boek 1' van Martin Rombouts gelezen en dat raakte kant noch wal'

maandag, 6 april 2026 (19:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Debutant Levi Jacobs (interview afgenomen 6 april 2026) vertelt over zijn roman Wie ik ben, zijn literaire smaak en de schrijfervaring erachter. Hoewel titel en naam van de hoofdpersoon naar autobiografie verwijzen, benadrukt Jacobs dat het boek geen autobiografisch werk is: de eerste versie was dat wel, met familieleden letterlijk opgenomen, maar hij vond de moed om veel te schrappen en de roman los te maken van zijn eigen leven. Het schrijven zelf ging soepel; het grootste voldoeningseffect was het voltooien van een tweede, bewuste versie. Jacobs geeft toe dat het publiceren mensen heeft geraakt: “Dat is sowieso wel gebeurd,” aldus hij over mogelijke beschadigingen.

Jacobs positioneert zich literair als iemand die weinig op heeft met hedendaagse schrijvers en die liever teruggrijpt naar schrijvers die hem persoonlijk raken. Favorieten zijn Cormac McCarthy (Blood Meridian ligt op zijn nachtkastje), Roberto Bolaño, Céline en Eduardo Halfon; hij noemt Halfons associatieve, persoonlijke manier van vertellen speciaal. Hij prijst Nanne Tepper als onderschat en bewondert diens onbevreesde omgang met grensoverschrijdende thema’s. Tegelijkertijd uit hij scherpe kritiek op Martin Rombouts’ Boek 1, en noemt Rombouts zijn “nemesis” vanwege wat hij als gemakzuchtig werk en te hoge recensies ervaart.

Poëzie en klassiekers bespreekt hij vrij onverschillig: Herman de Coninck en Hugo Claus zijn geliefd, maar Jacobs schaamt zich niet voor het niet lezen van bepaalde canonieke namen—Virginia Woolf kon hem niet boeien. Als tijdperk zou hij zelf schrijver willen zijn in het Amerika van de jaren vijftig/zestig, toen de literatuur “opende.”

Gewoontes en voorkeuren: Jacobs is een bekennend herlezer—hij voelt er soms schuld over maar blijft het doen—en kijkt series obsessief (The Office, New Girl). Hij weigert non-fictie grotendeels; feiten leren uit boeken is niet zijn interessegebied. Als verborgen kwaliteit noemt hij volharding: dagelijks schrijven en fysiek doorzetten behoren tot zijn sterke punten.

Op kritiek reflecteert hij genuanceerd: recensent Christiaan Weijts merkte in De Groene op dat onderdelen van het boek teveel op de oppervlakte blijven; Jacobs ziet daarin een zekere waarheid maar blijft achter zijn schrijfkeuzes staan. Qua literaire aanbevelingen adviseert hij voor achttienjarigen Clarice Lispector (De ontdekking van de wereld) om open te raken voor mystieke belevingen in literatuur.

Ten slotte afgebakende voorkeuren en houdingen: hij prefereert Camus boven Houellebecq (“De Vreemdeling” noemt hij het beste boek ooit en hij heeft het op zijn arm laten tatoeëren), Tolstoj boven Dostojevski, Kierkegaard boven Kant, Philip Roth boven Norman Mailer, en Nanne Tepper boven Joost Zwagerman. In morele houding geeft hij de voorkeur aan vergiffenis boven wrok.