Leger des Heils door stof rond gezinshuis Noord-Drenthe: Kinderen hadden daar nooit geplaatst mogen worden
In dit artikel:
De gecertificeerde jeugdbeschermingstak van het Leger des Heils (LJ&R) heeft twee meisjes van nog geen zes jaar in november in een gezinshuis in Noord-Drenthe geplaatst, terwijl er later ernstige zorgen over dat gezinshuis bleken te bestaan. Eind januari zijn de kinderen met spoed uit het huis weggehaald. Volgens LJ&R was men niet op de hoogte van eerdere waarschuwingen van andere ketenpartners en is er bovendien nooit een juridische machtiging voor de plaatsing aangevraagd; de organisatie noemt het besluit een fout en betreurt de gang van zaken.
Eerder had de William Schrikker Stichting (WSS) al in het najaar ernstige twijfels uitgesproken over de kwaliteit van zorg in hetzelfde Drentse gezinshuis en daarvan melding gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De moeder van de twee meisjes vertelde dat de gezinshuismoeder vreemde en verontrustende uitspraken deed — onder meer over het manipuleren van burgerservicenummers en vermeende betrokkenheid bij een pedofielennetwerk — en dat zij ooit verslaafd zou zijn geweest aan crack en veroordeeld voor ontvoering; een ambulant begeleider bevestigde dat die opmerkingen zijn gedaan, maar de gezinshuismoeder zegt dat ze verkeerd is begrepen.
Het voorval staat niet op zichzelf: in november werden uit een ander Drents gezinshuis in Niekerk ook al twee kinderen (10 en 9 jaar) met spoed gehaald wegens meldingen van misbruik en mishandeling; de politie onderzoekt die zaak en heeft de betrokken gezinshuismoeder als verdachte gehoord. Journalisten en betrokkenen hebben herhaaldelijk gewezen op het ontbreken van een centrale ‘zwarte lijst’ voor zorglocaties: omdat zo’n systeem niet bestaat, kan een andere jeugdbeschermingsorganisatie later alsnog besluiten kinderen in een plek te plaatsen waar eerder zorgen over zijn geuit.
LJ&R zegt dat interne procedures grotendeels zijn gevolgd en dat er een multidisciplinair overleg heeft plaatsgevonden, maar stelt dat het incident is onderzocht en vooralsnog niet als structureel wordt gezien. De zaak legt desondanks fragiliteiten in de informatie-uitwisseling tussen jeugdpartners en het toezichtstelsel bloot.