Leerlingen Ichthus Veenendaal buigen zich over Latijn: „Als je een paar zinnen niet snapt, mis je gelijk de clou"
In dit artikel:
Voor de dertien leerlingen die vanochtend in de gymzaal wachten, hangt aan het balkon van een appartementencomplex het vriendelijke spandoek: "Succes met jullie examens!" Het Latijnsexamen dat ze gaan maken vraagt niet alleen om vertalen: centraal staat het begrip van hoe klassieke denkers — Seneca, Cicero, Aristoteles — en een hedendaagse stoïcijn over vriendschap denken. De kandidaten moeten laten zien dat ze niet alleen de woorden meester zijn, maar ook de filosofische redeneringen erachter.
Leerling Rutger Weerheim benadrukt dat de taal opzich niet per se het grootste struikelblok is, maar de inhoudelijke diepgang wel. In tegenstelling tot Grieks, waar het missen van een zinnetje minder snel de clou aantast, kan bij Latijn een gemiste regel al het hele betoog onbegrijpelijk maken. Tijdens de lessen hebben de leerlingen de teksten al vertaald en besproken; vertalen vormt ook een deel van het examen.
Meerdere kandidaten vinden Latijn juist stimulerend. Meike Melis wijst op het praktische voordeel voor het leren van andere talen: naamvallen lijken op die van Duits en veel Franse en Italiaanse woorden stammen rechtstreeks uit het Latijn. Eva van den Brink noemt hoe het vak helpt om "dieper te denken" en eigen aannames te bevragen. Een passage over vriendschap en rouw trof haar: een filosoof stelde dat zichtbaar huilen aantoont dat je echt van de overledene hield — een invalshoek die ze eerder niet zo had overwogen. Tegelijk voorziet Meike kritische kanttekeningen bij de klassieke opvattingen: veel oudheidse denkers zien vriendschap vooral als iets tussen deugdzame, bevoorrechte mannen.
Om kwart voor negen leest directeur Jacobi de Wildt Psalm 42 voor, een tekst die volgens hem aansluit bij de onrust voor examens. Vijf minuten voor aanvang breekt er lichte paniek uit wanneer de woordenboeken niet direct te vinden zijn; de conciërges arriveren op tijd met stapels boeken. Na uitdelen van papier en het tekstblad begint het examen precies om negen uur.
Docent Latijn Jan Bart, die al twintig jaar lesgeeft, noemt het examen 'gemiddeld', maar wijst op de trend van veel citeervragen: kandidaten moeten uiterst precies aangeven waar een verwijswoord of bepaalde formulering op slaat — je mag niet te veel en niet te weinig citeren. In zijn lessen probeert hij ook de moderne relevantie van de teksten te benadrukken en discussies over vriendschap en huwelijk te stimuleren, al komt die diepere laag tijdens het examen zelf minder naar voren. Voor enkele leerlingen is het cijfer spannend: Bart verwacht dat iedereen vwo zal halen, maar dat er voor Latijn een paar onvoldoendes kunnen vallen.