Leerkrachten zien streven naar inclusief onderwijs niet zitten. 'Heel mooi in de ideale wereld, maar zo werkt het niet'
In dit artikel:
Nederland streeft op basis van internationale verdragen naar inclusief onderwijs: alle kinderen, ook wie extra zorg nodig heeft, zouden in 2035 naar een gewone school in de buurt moeten kunnen. Een peiling onder ruim 6.600 leraren en circa 2.400 andere onderwijsmedewerkers, verspreid door de vakbonden AOb, CNV en FvOv en deze week aangeboden aan de Tweede Kamer, laat echter zien dat de uitvoering op de werkvloer grote twijfels oproept.
Belangrijkste bevindingen
- Meer dan de helft van de leraren staat negatief tegenover inclusief onderwijs; ongeveer een kwart is neutraal en minder dan 20% positief.
- Bijna 70% van de respondenten vindt juist dat méér leerlingen naar het speciaal onderwijs zouden moeten kunnen.
- Minder dan 1% denkt dat volledig inclusief onderwijs vóór 2035 haalbaar is; bijna 40% noemt dat onrealistisch en nog eens ongeveer 40% ziet alleen beperkte invoering als mogelijk.
- Schoolleiders zijn gemiddeld iets positiever dan leerkrachten, maar ook onder hen is draagvlak voor volledig inclusieve scholen klein.
Praktische zorgen op de werkvloer
Leerkrachten verwachten dat het verdwijnen van speciale scholen leidt tot meer onrust in de klas, hogere werkdruk, slechtere leerresultaten en een toename van thuiszittende leerlingen. Een belangrijk knelpunt is dat veel leraren zich niet goed voorbereid voelen: minder dan 40% voelt zich capabel om passend onderwijs in de praktijk vorm te geven, en nog minder voor volledig inclusief onderwijs. Ook noemen zij dat de benodigde specialistische kennis, tijd en vervanging ontbreken.
Achterliggende oorzaken
- Sinds de invoering van passend onderwijs in 2014 zijn er taken bij reguliere scholen gelegd, terwijl ondersteuning en begeleiding volgens veel leraren zijn gekrompen door bezuinigingen.
- Scholen raken steeds afhankelijker van diagnoses; een officieel 'label' is vaak de enige weg om extra hulp en middelen te krijgen.
- Scholen kampen met personeelstekorten, waardoor bij ziekte of taakvermindering weinig vervanging beschikbaar is.
Ervaringen uit de klas
Leerkrachten illustreren de problemen aan de hand van concrete voorbeelden: sommige leerlingen vertonen storend gedrag dat de groep ontwricht en andere leerlingen onveilig laat voelen; meer- en hoogbegaafde kinderen missen aansluiting in een heterogene klas; en op vmbo- en andere scholen neemt het aantal leerlingen zonder diagnose maar met grote ondersteuningsbehoefte (zoals nieuwkomers) toe, terwijl het budget niet meegroeit. Remedial teachers en specialisten zien dat intensieve, één-op-één begeleiding in het speciaal onderwijs vaak beter aansluit bij bepaalde leerlingen.
Voorkeursmodellen onder medewerkers
Als alternatief voor het volledig afschaffen van speciaal onderwijs geven deelnemers het vaakst de voorkeur aan één schoolgebouw met aparte klassen voor kinderen met speciale behoeften, gecombineerd met gezamenlijke activiteiten en pauzes. Een substantiële groep pleit voor betere ondersteuning binnen reguliere scholen, maar met behoud van aparte speciale scholen voor wie dat nodig is.
Context en beleidskaders
Het kabinet blijft zich volgens het coalitieakkoord inspannen voor passend onderwijs en pleit voor inclusief onderwijs waar mogelijk, en speciaal onderwijs voor wie het nodig heeft. De vakbonden willen met de enquête dat de ervaringen en zorgen van leerkrachten zwaarder meewegen bij de uitwerking van dat beleid.
Kortom: het ideaal van inclusief onderwijs wordt op beleidsniveau gesteund, maar veel leerkrachten en onderwijspersoneel twijfelen aan de haalbaarheid zonder extra middelen, personeel en structurele ondersteuning. Voor hen is de vraag niet alleen of alle kinderen fysiek op reguliere scholen kunnen zitten, maar of zij daar ook de juiste en tijdige zorg en begeleiding kunnen krijgen.