Staat het gezag van de Bijbel onder druk? Ja, zeggen vier theologen, maar ze verschillen over hoe dan
In dit artikel:
In de Voetiuszaal van de Protestantse Theologische Universiteit in Utrecht voerden vier gereformeerde theologen — prof. Koert van Bekkum, prof. Klaas Huijgen, dr. Piet de Vries en dr. Jan Mouthaan — een levendig rondetafelgesprek over Schriftgezag. De bijeenkomst, gehouden op een maandagochtend, was mede ingegeven door het honderdjarig ‘jubileum’ van de ruzie in de Gereformeerde Kerken over de vraag of de slang in het paradijs echt gesproken had, en door actuele botsingen binnen reformatorische kring rond thema’s als vrouwen in het ambt, homoseksualiteit, schepping en evolutie. Ook de recente scheuring in de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) over de vraag of vrouwen predikant mogen zijn vormde de achtergrond.
Centraal in het gesprek stond de vraag of hedendaagse verschillen voornamelijk voortkomen uit uiteenlopende exegeses — andere, zorgvuldig beargumenteerde Bijbeluitleg — of dat ze wijzen op een fundamenteel ander zicht op het gezag van de Schrift. De gesprekspartners leggen verschillende accenten: sommigen benadrukken de vier eigenschappen die de Nederlandse Geloofsbelijdenis toekent aan de Schrift (noodzakelijk, gezaghebbend, genoegzaam en duidelijk), anderen wijzen op de eenheid van de Schrift ondanks meerdere menselijke schrijvers, en weer anderen waarschuwen dat beroep op Schriftgezag soms bedoeld is om interpretatieruimte te sluiten of macht te consolideren.
Een terugkerend thema was de spanning tussen cultuurgebonden teksten en tijdloze waarheden. Van Bekkum wees op culturele verschillen tussen oudtestamentische en moderne contexten en pleitte voor ernst in het verstaan van hoe God in die oude leefwereld sprak. Hij stelde dat de Bijbel “zeggingskracht” heeft voor geloof en leven, maar dat we rekening moeten houden met genre en historische context. Huijgen en Mouthaan benadrukten tegelijk dat de Heilige Geest ook nu werkt en dat de Schrift in alle eeuwen richting kan geven; zij vinden het gevaarlijk om cultureel bepaalde praktijken klakkeloos aan te nemen als maatgevend bij doctrines die volgens hen essentieel zijn, zoals de scheppingsorde en apostolische waarheden.
Op concrete dossiers botste men duidelijk. Over homoseksualiteit waren de meningen scherp: De Vries hield vast aan de traditionele lezing dat Paulus homoseksuele relaties afwijst en vond dat gemeenten die dergelijke relaties toelaten moeilijk als representatie van het lichaam van Christus gezien kunnen worden. Anderen, zoals Van Bekkum, erkenden de ernst van de Schrift maar noemden de werkelijkheid complexer; hij spreekt vanuit ervaring in een gemeente waar tevens mensen in homoseksuele relaties deelnemen aan ambt en avondmaal. Mouthaan benadrukte dat de korte teksten over homoseksualiteit aansluiten bij bredere Bijbelse lijnen en vroeg hoe genoegzaamheid van de Schrift gewaarborgd blijft als men moderne homoseksuele gerichtheid als iets anders zou omschrijven dan de voorbeelden in de oudheid.
Ook de vraag naar vrouwen in het ambt leidde tot uiteenlopende afwegingen. Een deel van het gesprek verlegde de aandacht naar Paulus’ manier van spreken: nam hij culturele beeldvorming mee of legde hij een principiële scheppingsorde vast? Voor sommige deelnemers is de praktijk in het Nieuwe Testament (bijv. vrouwen die werken voor de Heer) reden tot terughoudendheid in absolute uitsluitingen; anderen zien in bepaalde teksten een blijvende norm die niet zomaar mag worden losgelaten. Er kwam tevens kritiek op selectieve toepassing: waarom zou het Schriftgezag bij sommige onderwerpen sneller in stelling worden gebracht dan bij andere, bijvoorbeeld sociale of financiële kwesties?
Het gesprek belichtte ook een geestelijk probleem: veel jonge mensen lezen weinig Bijbel en predikanten die zelden iets ‘nieuws’ uit de Schrift opdiepen, wat de diepgang en het gezag van de Schrift onder druk kan zetten. Macht en belangen spelen mee wanneer men verschillen labelt als ‘kwesties van Schriftgezag’. De deelnemers waarschuwden voor een zelfvervullende verwachting van een hellend vlak — veranderingen kunnen volgens hen leiden tot verdere verschuivingen — maar benadrukten tegelijk dat veel bewegingen in kerken van onderop komen: gemeenten veranderen vaak eerst in de praktijk, en theologen reageren daarop.
Als grens voor het Schriftgezag werd het vermogen genoemd om Christus als Heiland te erkennen; wie dat niet doet, begeeft zich buiten de kerkelijke consensus. De theologen pleitten voor voorzichtigheid: niet iedereen die afwijkende conclusies trekt, moet meteen als vijand van de Schrift worden bestempeld, maar de mate waarin men afstand neemt van de kerkvaders en de apostolische traditie is wel zorgelijk. Ten slotte kregen theologen de taak mee om gemeenten te dienen en niet ideologieën van het grondvlak onkritisch te vergroten: eerlijk, nederig en met zorgvuldige exegese in gesprek blijven, leek het gezamenlijke appel.