Lang zat er een Oekraïne-vormig gat in de cultuurcanon, en dat had alles te maken met Russische onderdrukking
In dit artikel:
De Russische oorlog heeft een verwaarloosde realiteit op de internationale culturele radar gezet: de vaak onzichtbare, onderdrukte maar kwalitatief rijke kunst- en literatuurgeschiedenis van Oekraïne. Lang werd die historie overstemd door Russische narratieven — in Europa vaak gedacht als randzone van Rusland — terwijl politieke onderdrukking, zowel in tsaristisch als in sovjettijd, talloze makers het zwijgen oplegde of het leven kostte. Daardoor ontbreekt een groot Oekraïne-vormig gat in de canon.
Historische voorbeelden illustreren het patroon van bloei gevolgd door brute breuk. Eind achttiende eeuw zette Ivan Kotljarevskyj samen met anderen de Oekraïense volkstaal op de literaire kaart; in de negentiende eeuw leverde Taras Sjevtsjenko poëzie en tekeningen die voor zijn verzet tegen imperiaal geweld werden bestraft met verbanning. In de late jaren twintig bood het beleid van korenizatsija kortstondig ruimte: Oekraïns talig onderwijs, theater en moderne kunst konden floreren. Dat leidde tot een innovatieve scène — architectuur, film, literatuur — die historici later de “geëxecuteerde renaissance” noemen. Deze culturele renaissance leverde figuren als de modernist Mike Johansen op (De reis van dokter Leonardo, 1928), maar veel van zijn generatie werd in de jaren dertig onder sovjetrepressie gearresteerd, gedeporteerd of geëxecuteerd; Johansen zelf werd in 1937 vermoord. Hetzelfde patroon zien we terug bij componist Mykola Lysenko, schrijfster Lesja Oekraïnka en de beeldende kunstenares Alla Horska, die in 1970 werd gedood — waarschijnlijk door KGB-agenten — vanwege haar verzet en erfgoedactivisme.
Die politieke cultuurpolitiek is niet alleen een historisch gegeven. Sinds 2014, en in sterk vergrote vorm na de grootschalige invasie van 2022, worden musea, bibliotheken, monumenten en collecties beschadigd, geroofd of vernietigd. Experts schatten dat tussen 2014 en 2024 circa twee miljoen museumobjecten verloren gingen. Culturele instellingen en erfgoedprofessionals spreken van doelgerichte schade, soms aangeduid als ‘culturele genocide’. Makers en cultuurwerkers lopen risico’s in bezette gebieden wanneer ze boeken bezitten, Oekraïens spreken of niet meewerken met de bezetter.
De recente oorlog heeft wél geleid tot meer aandacht: tentoonstellingen, vertalingen en publieksprogramma’s in het Westen namen toe; voorbeeld: een reconstructie van Horska’s vogelmozaïek stond in 2024 op Trafalgar Square. Maar de internationale respons blijft wisselvallig: er is vaak een “inhaalpaniek” van vertalen en tonen, terwijl publiek en canon nog sterk door Russische namen en verhalen worden gedomineerd. Avonden over Oekraïense cultuur trekken doorgaans veel kleinere publieksgroepen dan vergelijkbare programma’s over Rusland.
De menselijke tol is actueel en persoonlijk: hedendaagse makers en cultuurwerkers sterven of gaan het front op. Voorbeelden zijn de chef-dirigent Joeri Kerpatenko, die in 2022 in zijn huis werd vermoord omdat hij niet wilde meewerken aan een propagandaconcert, en schrijfster Victoria Amelina, die in juli 2023 overleed aan verwondingen door een Russische raketaanval nadat ze oorlogsmisdaden had gedocumenteerd. Amelina en anderen probeerden ook westerse lezers vertrouwd te maken met de geëxecuteerde renaissance en met het voortdurende risico voor cultureel erfgoed.
Belangrijk om te benadrukken is dat er niet één eenduidige “Oekraïense cultuur” bestaat: de geschiedenis is een mengeling van lokale tradities, religieuze en literaire invloeden, en contact met Pools, Litouws, joods, Krim-Tataars en andere culturen. Toch is er wel een herkenbaar patroon: korte bloeiperiodes van creativiteit, vaak gevolgd door geweld en systematische ontwrichting. Dat patroon heeft geleid tot een epistemisch probleem: veel kwaliteitsauteurs, componisten, kunstenaars en architecten zijn onvoldoende ingebed in de Europese canon, niet door gebrek aan waarde maar door politieke marginalisering.
De auteurs van het artikel pleiten ervoor dat Europese cultuurinstellingen deze lacune structureel aanpakken, niet alleen uit morele motieven maar ook strategisch: Oekraïense professionals hebben in de oorlog waardevolle methodes ontwikkeld om erfgoed te evacueren, te digitaliseren en te beschermen; westerse musea en erfgoedorganisaties hebben daar veel van te leren. Tegelijk roepen zij op tot een genuanceerder historisch denken dat Oekraïense geschiedenissen niet langer onder één Russisch tapijt schuift, maar erkent als complex, pluriform en onmiskenbaar Europees.