Lang was Hongarije hét symbool van de illiberale contrarevolutie. Nu laat het zien tot waar radicaal-rechts kan gaan

woensdag, 15 april 2026 (00:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

15 april 2026 — Viktor Orbán en zijn partij Fidesz zijn na zestien jaar van de macht in Hongarije weggestemd. In het weekend voor de verkiezingen probeerde de premier nog met een laatste angstcampagne — onder meer een bericht over gevonden explosieven bij een oliepijpleiding bij de Servische grens — kiezers te mobiliseren, maar die tactiek mislukte. De kiezers haalden hun schouders op en kozen massaal voor Péter Magyar en zijn nieuwe partij Tisza, die een ruime overwinning behaalde, zelfs groot genoeg om constitutionele veranderingen mogelijk te maken.

Orbán bouwde sinds zijn terugkeer naar de macht een illiberaal politiek bestel uit dat in Europa symbool stond voor een contrarevolutionaire beweging: persvrijheid werd sterk aangetast, staatsmiddelen en EU-gelden kwamen in toenemende mate terecht bij vrienden en familie — jachten, Ferrari’s en landgoederen illustreerden die praktijk — en Boedapest werd een ontmoetingsplaats voor radicaal-rechtse politici van over de hele wereld. Leiders als Geert Wilders, Marine Le Pen en Giorgia Meloni en zelfs videoboodschappen van Donald Trump gaven steun. De Amerikaanse vice-president J.D. Vance kwam nog persoonlijk over om Orbán te steunen, maar het mocht niet baten.

De kiem van de val ligt volgens het artikel vooral in het alledaagse leven van Hongaren: economische stagnatie, hoge inflatie en een zichtbaar verslechterde publieke sector (zorg, onderwijs, openbaar vervoer) maakten de tolerantie voor kleptocratische praktijken onhoudbaar. “Gewone Hongaren ervaren dat aan den lijve,” zei mensenrechtenactiviste Stefánia Kapronczay. Bovendien speelden onthullingen van onderzoeksmedia zoals Partizán, Direkt36 en Vsquare een belangrijke rol bij het zichtbaar maken van schandalen.

Péter Magyar voerde een campagne gericht op concrete zorgen van kiezers: hij reisde twee jaar lang door stad en platteland, beloofde het corruptienetwerk te ontmantelen en de vastgezette EU-middelen terug te halen. Zijn directe, no-nonsense stijl bleek effectief, ook in traditionele Fidesz-gebieden als Szigetvár. Hoewel hij zelf conservatief-liberaal is, weerspiegelde zijn overwinning vooral de wens van de bevolking om serieus genomen te worden.

De betekenis van de uitslag reikt verder dan Hongarije. Waar Orbáns regime tot nu toe als model voor een illiberaal alternatief werd gezien, toont de nederlaag aan dat die strategie zijn grenzen kent: angstzaaien over immigratie en ‘woke’ is onvoldoende als burgers economisch achteruitgaan en publieke voorzieningen vervallen. De vergelijking met andere landen die democratische ruimte beteugelen — Turkije en Rusland — illustreert bovendien verschillende gradaties van autoritarisme; Hongarije bleek ondanks zware inperking van tegenmacht toch vatbaar voor verandering via verkiezingen.

De toekomst ligt nu bij Magyar en Tisza: zij hebben een kans en de verantwoordelijkheid om beschadigde instituties te herstellen. De ruime meerderheid biedt zowel mogelijkheden als risico’s. Hopelijk blijft de nieuwe tegenmacht de Hongaarse burger zelf, die door deze verkiezing handelingsperspectief heeft teruggekregen. In Boedapest klinkt nu het geheugen aan 1989 door: de verworvenheden van liberale democratie zijn niet vanzelfsprekend en blijken duur — maar herstel is mogelijk.