Lagere straf voor Utrechtse arts die haar baby wilde doden
In dit artikel:
De Utrechtse arts Sarah V. (39) is in hoger beroep door het gerechtshof in Arnhem veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf voor poging tot moord op haar pasgeboren dochter en voor voorbereidingshandelingen richting moord en zware mishandeling. Die straf ligt lager dan de oorspronkelijke straf van elf jaar omdat het hof haar in beperkte mate verminderd toerekeningsvatbaar achtte.
Het incident speelt in april 2020 in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht, waar haar te vroeg geboren baby in een couveuse lag. Het Openbaar Ministerie stelt dat V. haar afgekolfde moedermelk stuk voor stuk heeft verdund en daaraan loperamide (een geneesmiddel tegen diarree) toevoegde, waardoor de baby ernstige hartritmestoornissen kreeg.
Artsen konden in eerste instantie de oorzaak van de klachten niet verklaren; V. kwam in beeld nadat onderzoek van de moedermelk afwijkingen aantoonde. De zuigeling kreeg vervolgens kunstvoeding en herstelde. Deskundigen stelden vast dat de gevonden hoeveelheid loperamide niet op natuurlijke wijze in de melk terecht had kunnen komen, wat het hof meeneemt bij het oordeel dat sprake was van een opzettelijke en vooraf beraamde poging haar kind te doden.
V. ontkent de aantijgingen. In de zaak is gewezen op mogelijk Münchhausen-by-proxy-gedrag — tegenwoordig aangeduid als kindermishandeling door falsificatie — waarbij iemand een ander, vaak het eigen kind, bewust ziek maakt om aandacht of zorg te krijgen. Ze is inmiddels arbeidsongeschikt verklaard.
Tijdens het proces mocht V. het hoger beroep in vrijheid afwachten; haar voorlopige hechtenis was geschorst onder strikte voorwaarden: alleen overdag thuis zijn en onder begeleiding, en het verbod om haar kinderen eten, drinken of medicijnen te geven. Ze was niet aanwezig bij de uitspraak en mag voorlopig vrij blijven totdat de uitspraak definitief is. Haar advocaat kon nog niet zeggen of ze in cassatie bij de Hoge Raad zal gaan.