Laat je niet gek maken, er is geen enkele geldige reden om dit meesterwerk van Prokoviev te cancellen
In dit artikel:
Ricardo Chailly en het Concertgebouworkest roepen felle reacties op door de uitvoering van Sergej Prokofjevs cantate Alexander Nevski in te studeren en uit te voeren in Amsterdam. Critici — onder meer een NRC-recensie — noemen de keuze pijnlijk: kan muziek verbonden aan een Russische film en nationalistische thematiek nog zonder meer klinken nu Rusland oorlog voert? Chailly wordt verweten dat hij onvoldoende context biedt voor het publiek.
De cantate stamt uit Prokofjevs filmmuziek bij Sergej Eisensteins Alexander Nevski, die op 25 november 1938 in première ging. Zowel Eisenstein als Prokofjev waren prominente kunstenaars van de twintigste eeuw; hun samenwerking leverde een zelfstandig muziekwerk op dat in latere oorlogsjaren opnieuw betekenis kreeg als patriottische oproep. De tekst van de cantate bevat expliciete oproepen tot volksweerstand en belooft verplettering van vijanden, waardoor het stuk gevoelig ligt voor interpretaties als propagandamateriaal.
Historische achtergrond verklaart die gevoeligheid. De legendarische 13e-eeuwse vorst Alexander Nevski verdedigde Novgorod tegen Zweden (slag bij de Neva, 1240) en hield de Duitse Orde op het Peipusmeer tegen (1242). In de twintigste eeuw gebruikte Stalin zulke figuren als nationaal voorbeeld; de film en muziek werden in die context politiek inzetbaar en speelden ook een rol tijdens de Tweede Wereldoorlog als morele stimulans tegen de Duitse inval.
Een actuele twist in Amsterdam is dat het Concertgebouw bij uitvoeringen van Prokofjevs werk soms vertalingen of toelichtingen vertoonde — maar bij deze uitvoering bleven die weg. Dat belemmerde volgens critici het publiek in het volledig begrijpen van het werk en maakte hen ongewild tot onderdeel van een kunstwerk waarvan een belangrijk element werd achtergehouden.
De auteur bestrijdt het idee dat gebruik van een compositie door een autoritair regime de muziek als zodanig diskwalificeert: kunstenaarschap en politiek misbruik zijn volgens hem te onderscheiden. Hij verwijst naar historische voorbeelden (zoals Liszts Les Préludes dat door Goebbels werd ingezet) om te betogen dat de artistieke waarde onaangetast blijft. De conclusie is dat Chailly’s uitvoering zowel artistiek verantwoord als politiek verdedigbaar is, en dat het te snel verwerpen van zulke werken getuigt van overdreven angst en minachting voor het publiek.