Kwestie sprekende slang leidt tot kerkscheuring
In dit artikel:
Ds. G. Geelkerken (geb. 1879) was een felle predikant uit Amsterdam-Zuid wiens theologische opvattingen in het interbellum leidden tot een ernstige breuk binnen de Gereformeerde Kerken. Opgeleid en gepromoveerd (godsdienstpsychologie), voelde hij zich weinig thuis in het rigide, rationalistische kerkklimaat van Abraham Kuyper, maar deelde de combative toon van veel gereformeerde leiders: de zaak ging voor hem boven personen. Sinds 1915 raakte hij herhaaldelijk in conflict met collega’s, onder meer over het gebruik van gezangen in de eredienst en zijn kritiek op de synodale “Getuigenis” van Leeuwarden (1920), die volgens hem te fundamentalistisch reageerde op de moderne tijdgeest.
De directe aanleiding tot de crisis was een preek op 23 maart 1924 in de Schinkelkerk, waarin volgens een klager Geelkerken de val van de mens in Genesis 3 als beeldend moest worden opgevat. Dat riep de vraag op of Genesis 1–3 letterlijk, zintuiglijk bedoeld zijn — bijvoorbeeld of de slang werkelijk sprak. De klasse stelde schriftelijke vragen; Geelkerken weigerde tijdens zijn vakantie te antwoorden. De zaak escaleerde en kwam in 1926 voor een buitengewone synode in Assen, die onder meer vanwege druk van opponenten als prof. Jan Ridderbos (Kampen) en prof. Lukas Lindeboom vasthield aan een letterlijke lezing van Genesis en het onvoorwaardelijke gezag van de Schrift.
De synode formuleerde een verklaring waarin de boom van kennis, de slang en de boom des levens als zintuiglijk waarneembare realiteiten werden aangeduid. Geelkerken weigerde deze verklaring te ondertekenen en pleitte juist voor ruimte voor wetenschappelijk onderzoek en diverse exegeses. Na een schorsing van drie maanden bleef hij op zijn standpunt staan en wilde hij een studiecommissie; dat werd niet geaccepteerd. Op 17 maart 1926 werd hij afgezet als predikant van de Gereformeerde Kerken, omdat men hem zag als een bron van “openlijke scheurmakerij”.
Geelkerken en een aantal gelijkgestemden, onder wie ds. J.J. Buskes, zetten een nieuw kerkverband op: de Gereformeerde Kerken in Nederland (in Hersteld Verband). Dit kerkje bleef klein — enkele duizenden belijdende leden en een beperkt aantal predikanten — maar hield het twintig jaar vol. Zij voerden de omstreden gezangen in, trokken jonge predikanten aan en gingen in 1946 op in de Nederlandse Hervormde Kerk. Geelkerken ging later dat jaar met emeritaat en overleed op 3 februari 1960; bij zijn begrafenis werd hij herdacht als gedreven herder en leraar. In 1967 herroept de synode van de Gereformeerde Kerken de besluiten uit 1926.
De affaire-Geelkerken belicht de kernconflicten van de periode: de spanning tussen modern-wetenschappelijke exegese en traditioneel kerkelijk gezag, de vraag naar de letterlijke of beeldende aard van bijbelse teksten, en de manier waarop interne doctrinaire geschillen in kerkelijke structuren worden beslecht.