Krokodillentranen bij WNL: alleen de Nederlandse cultuur mag niet beschermd worden

maandag, 1 juni 2026 (14:12) - NieuwRechts.nl

In dit artikel:

De afgelopen weken, te midden van aanhoudende asieldemonstraties en theatrale politieke optredens in de Tweede Kamer, heeft de vraag “wat betekent Nederlander zijn?” de publieke discussie bepaald. In een WNL-optreden zei presentatrice Fidan Ekiz zich uitgesloten te voelen door retoriek van partijen aan de rechterkant (JA21, FVD, PVV) over remigratie; zij signaleert dat kinderen met een migratieachtergrond gaan twijfelen of ze wel écht bij Nederland horen. De columnist reageert fel: het benadrukken van een eeuwenlang gevormde, inheemse Nederlandse cultuur is volgens hem geen racistische ontkenning van anderen, maar een reële en verdedigbare werkelijkheid.

De kern van het betoog onderscheidt twee dimensies van burgerschap: juridisch (paspoort) en cultureel (taal, gewoonten, normen). Remigratie wordt door tegenstanders vaak gepresenteerd als gericht op mensen die zich niet aan normen houden of niet integreren; dat betekent niet dat alle mensen met een migratieachtergrond automatisch uitgesloten worden. De vergelijking met een denkbeeldig paspoort van een ander land illustreert het verschil tussen formele nationaliteit en herkenbare culturele identiteit.

De schrijver hekelt wat hij ziet als een linkse dubbelstandaard: westerse en niet-westerse inheemse culturen elders worden gevierd en beschermd, terwijl het bestaan van een Nederlandse inheemse traditie ter discussie wordt gesteld of snel als verdacht wordt bestempeld. Volgens hem is dat inconsequent en belemmert het een eerlijk gesprek over migratie en culturele continuïteit. Er wordt gepleit voor een balans: de rechten en verwachtingen van nieuwkomers moeten serieus worden genomen, maar ook het recht van degenen die al generaties lang cultuur en gewoonten doorgeven om deze te behouden.

Historische voorbeelden worden gebruikt om dit standpunt te onderbouwen: Europa en Nederland zijn wel degelijk door de eeuwen heen gevormd, met migratiestromen zoals de Hugenoten en Sefardische Joden die zich toevoegden aan — en uiteindelijk deel werden van — de Nederlandse samenleving. Een persoonlijke anekdote over een overgrootvader die chocoladeletters in het Hebreeuws maakte bij Sinterklaas illustreert hoe culturele mengvormen kunnen ontstaan zonder dat de ‘leidende’ cultuur verdwijnt.

De conclusie is tweeledig: succesvolle integratie van migranten bevestigt juist het bestaan van een dominante Nederlandse cultuur die behouden mag worden, én het voortdurende verwijt dat het noemen van een inheemse cultuur per definitie racistisch zou zijn, moet ophouden. Het pleidooi is voor een open maar eerlijk gesprek over burgerschap, waarin zowel de positie van autochtone cultuurdragers als de bijdrage van mensen met een migratieachtergrond erkend wordt. Ter illustratie citeert de tekst ook Pim Fortuyn’s stelling dat mensen die eeuwen in een land wonen cultureel het recht hebben dat land te behouden — een gedachte die volgens de auteur niet taboe zou moeten zijn.