Kroatië en Hongarije stellen prijsplafond voor benzine in, andere landen twijfelen
In dit artikel:
Kroatië en Hongarije zijn als eerste EU-landen actief gaan ingrijpen in de sterk stijgende brandstofprijzen die de laatste dagen opliepen door de oorlog in het Midden-Oosten. In Hongarije zijn maximumprijzen ingesteld: benzine mag niet meer kosten dan 595 forint (ongeveer €1,50) per liter en diesel 615 forint. Premier Viktor Orbán presenteerde de maatregel als een bescherming voor gezinnen, bedrijven en boeren. Kroatië legde voor twee weken prijsplafonds vast: benzine maximaal €1,50 per liter (zonder ingrijpen zou dat €1,55 zijn geweest) en diesel €1,55 (in plaats van een verwachte €1,72).
Andere Europese regeringen reageren terughoudender. Frankrijk start deze week grootschalige controles bij tankstations om mogelijke misstanden te onderzoeken; Parijs verzet zich tegen onredelijke prijsopslag, maar weigert voorlopig een accijnsverlaging, die sommige oppositiepartijen wel willen. Italië onderzoekt wel de mogelijkheid van lagere brandstofaccijnzen; premier Giorgia Meloni staat daar open voor. In Duitsland loopt een vergelijkbaar debat: politici pleiten soms voor accijnsverlagingen, maar economen waarschuwen voor nadelige gevolgen en de Duitse regering laat eveneens onderzoek doen naar mogelijk misbruik door tankstations.
De prijsstijgingen worden vooral veroorzaakt door de gedeeltelijke afsluiting van de Straat van Hormuz, waardoor ongeveer een vijfde van de wereldolie-export werd geraakt. In Nederland noemt minister van Financiën Eelco Heinen het nog te vroeg voor ingrijpen; experts hebben tegenover NU.nl aangegeven dat een accijnsverlaging de meest directe manier zou zijn om de pompprijzen omlaag te brengen.