Kopenhagen is wereldwijd voorloper in warmtenetten, wat kan Amsterdam daarvan leren?
In dit artikel:
De gemeente Amsterdam zet versneld in op een eigen warmtebedrijf om stadsverwarming te versnellen en de stad van het aardgas te halen. De aanleiding is tweeledig: sinds kort stijgen energieprijzen opnieuw door de oorlog in het Midden-Oosten, en in december is een wet aangenomen die voorschrijft dat warmtenetten grotendeels publiek worden. Vorige maand sloten Amsterdam, Diemen, netbeheerder Alliander en Energie Beheer Nederland een overeenkomst om dit jaar passende buurten voor warmtenetten te inventariseren en commerciële netten over te nemen.
Wethouder Zita Pels wil snel stappen zetten en hoopt nog dit jaar een besluit over de oprichting te nemen. Tegelijk waarschuwen ambtenaren dat het publieke alternatief miljarden kan kosten en dat financiële en betaalbaarheidsgaranties van het Rijk nodig zijn. De kernvraag is of er voldoende aansluitingen zijn om investeringen terug te verdienen; zonder massa aan deelnemers blijft een warmtenet duur.
Internationale voorbeelden laten zien wat mogelijk is, maar bieden geen kant-en-klare blauwdruk voor Amsterdam. Kopenhagen en andere Scandinavische steden hebben al decennia publiek beheer van warmtenetten, met vaak lage prijzen en hoge aansluitinggraad. Volgens Francesco Franchimon (AMS Institute) zijn er fundamentele verschillen: Denemarken stapte na de oliecrisis van de jaren 70 massaal over op warmtenetten en kent andere wet- en regelgeving, waaronder coöperatieve modellen die in Nederland pas recent opkomen.
Een vergelijking van TNO en Stichting Warmtenetwerk wijst op concrete verschillen: in Denemarken zijn regels eenvoudiger, aansluitingen technisch makkelijker (bijvoorbeeld collectief voor appartementen), financiële condities gunstiger en het publieke vertrouwen groter. In Nederland bemoeilijkt een negatiever imago van stadsverwarming het behalen van benodigde aansluitingpercentages.
Andere Europese voorbeelden tonen diverse oplossingen en schaalgrootte: Wien Energie bedient bijna een half miljoen huishoudens, Boedapest tientallen tienduizenden, en Turijn heeft meer dan de helft van de stad aangesloten met technieken als warmtekrachtkoppeling en afvalverbranding. Londen kent kleinschalige innovaties zoals Bunhill, dat restwarmte uit de metro benut — een voorbeeld van hergebruik van bestaande infrastructuur dat navolging krijgt in steden als Parijs en Madrid.
Amsterdam wil zijn bestaande warmtenetten (nog gedeeltelijk op gas) geleidelijk verduurzamen door inzet van afvalverbranding, industriële restwarmte — onder meer van datacenters — oppervlaktewater, elektrische warmtepompen en geothermie. De grootste praktische uitdaging is het aansluiten van bestaande, vaak slecht geïsoleerde en monumentale gebouwen in dichtbebouwde binnenwijken. Dat vraagt geïntegreerde, wijkgerichte aanpakken voor renovatie en infrastructuur en efficiënte benutting van beperkte ruimte, aldus Maéva Dang (AMS Institute).
Lokale energiecoöperaties bieden een belangrijk aanvullend pad: zij kunnen draagvlak en vertrouwen creëren en buurtgerichte oplossingen realiseren. KetelhuisWG in West is een concreet succes: een buurtwarmtenet dat warmte uit het Jacob van Lennepkanaal wint, ondergronds opslaat en met warmtepompen verder opwerkt. Zulke coöperaties laten zien dat bewonersparticipatie kan helpen om aansluitingen te vergroten en projecten haalbaar te maken.
Kortom: publiek eigendom is in opkomst en kan kansen bieden, maar succes hangt niet alleen van wie eigenaar is. Wetgeving, financiering, technologische keuzes, schaal en vooral het vertrouwen en de collectieve bereidheid van bewoners bepalen of Amsterdam zijn warmtenet betaalbaar en duurzaam kan uitbreiden.