Koningshuis bezit ruim duizend objecten uit voormalige koloniën, tientallen zijn aantoonbaar oorlogsbuit: 'Voorgeschiedenis roept ernstige vragen op'
In dit artikel:
Een onafhankelijke commissie onder leiding van kunsthistoricus Rudi Ekkart heeft in opdracht van de Stichting Historische Verzamelingen van het Huis Oranje-Nassau (SHVON) onderzocht welke voorwerpen uit voormalige koloniën deel uitmaken van de Koninklijke Verzamelingen. Het onderzoek, geïnitieerd door koning Willem‑Alexander en koningin Máxima, bracht ruim duizend objecten in kaart afkomstig uit Indonesië, Suriname en het Caribisch gebied. De resultaten zijn donderdag in Paleis Noordeinde gepresenteerd.
Het merendeel van de objecten werd in de negentiende en vroege twintigste eeuw aan leden van het koninklijk huis aangeboden, vaak rond inhuldigingen, geboortes of jubilea. Het gaat om een uiteenlopend spectrum: wapens, textiel, handschriften en gebruiks- en siervoorwerpen. Veel giften stammen uit de regeerperiodes van koninginnen Emma en Wilhelmina. De commissie wijst er echter op dat die “schenkingen” niet los gezien kunnen worden van koloniale machtsverhoudingen: wat op het eerste gezicht vrijwillig lijkt, kan teruggaan op contexten van dwang, militaire druk of verdeel‑en‑heerspraktijken.
Voor circa tweehonderd objecten kon de herkomst niet met zekerheid worden vastgesteld, vooral bij oudere aanwinsten rond koning Willem III is de documentaire basis vaak te mager. Wel kon de commissie aantonen dat tientallen voorwerpen expliciet krijgsbuit zijn: vooral wapens die door koloniale ambtenaren en militairen uit veroverde gebieden zijn meegenomen en later aan de koning zijn gegeven. Concrete voorbeelden zijn een donderbus van Raden Intan (vorst van Keratuan Darah Putih) die na diens dood in 1856 in Nederlandse handen kwam, een schild dat tijdens de expeditie naar Samalanga (1877) werd buitgemaakt, en voorwerpen van de militair/bestuursambtenaar J.F.R.S. van der Bossche uit Palembang.
Koningin Máxima noemt het onderzoek grondig en essentieel voor een zorgvuldige omgang met de collectie. De commissie adviseert terughoudendheid bij éénzijdige terugzendingen: wat Nederland onrechtmatig acht, hoeft dat niet per se te zijn voor het land van herkomst, en een paternalistische benadering moet worden vermeden. De aanbeveling is eerst openheid te geven: de onderzoeksgegevens worden in het Nederlands en Engels online beschikbaar gesteld (eind dit jaar of begin volgend jaar). Daarna wil Nederland in dialoog treden met herkomstlanden over mogelijke teruggave of langdurige bruiklenen, waarbij gepresenteerde objecten in musea meer context krijgen.
Het rapport sluit aan bij eerdere stappen van Nederlandse instellingen: drie jaar geleden gaven musea al 478 koloniale objecten terug aan Sri Lanka en Indonesië.