Klimaatdoelen killen de chemische industrie
In dit artikel:
De Europese chemiesector staat op instorten: recente rapporten en brancheklachten wijzen op massale sluitingen, teruglopende investeringen en groeiend banenverlies. Cefic (de Europese brancheorganisatie) liet via een door Roland Berger opgesteld onderzoek zien dat bedrijven in de afgelopen vier jaar hebben aangekondigd ongeveer 37 miljoen ton productiecapaciteit in Europa te beëindigen (ongeveer 9% van het totaal). Nederland en Duitsland worden het hardst getroffen: respectievelijk zo’n 7,2 megaton (circa 20% van Nederlandse capaciteit) en 8,8 megaton (ongeveer 25% in Duitsland). In de petrochemie zijn de plannen voor negen stoomkrakers sluitingen goed voor circa 16% van de Europese capaciteit. Investeringen in nieuwe fabrieken zijn nagenoeg tot stilstand gekomen; Cefic voorziet ongeveer 20.000 directe banenverlies en mogelijk tot 89.000 indirecte banen.
Bedrijven en bestuurders luiden al langere tijd de noodklok: CEO’s van bedrijven als LyondellBasell, Shell en INEOS waarschuwden recent dat de sector “wegzakt” of “uitsterft”. De sector wijst vooral naar zeer hoge energieprijzen en CO₂-belastingen als directe aanjagers van de malaise. In het Cefic-onderzoek noemt de helft van de ondervraagde ondernemingen hoge energiekosten als belangrijkste sluitingsreden.
De auteur van het stuk stelt dat beleidsmakers en de industrie zelden de diepere oorzaak durven te benoemen: de ambitieuze EU-klimaatdoelen en de systematische verschuiving naar variabele hernieuwbare energie (wind en zon), het afbouwen van kernenergie en het afknijpen van binnenlandse fossiele bronnen. Onder meer Bjorn Lomborgs analyses worden aangehaald: reële elektriciteitsprijzen voor de Europese industrie zijn sinds 2000 sterk gestegen (ongeveer +70%), en Europese bedrijven betalen volgens zijn berekeningen veel hogere stroomtarieven dan concurrenten in de VS en China. De oorlog in Oekraïne veroorzaakte een tijdelijke gaspiek, maar de structurele prijsopgang zou al jaren eerder ingezet zijn en samenhangen met het energie- en klimaatbeleid.
Concreet plaatsten Duitsland en Nederland strategische keuzes die de afhankelijkheid van dure invoer en intermitterende stroom vergroten: Duitsland sloot zijn laatste kerncentrales; Nederland sloot het Groningenveld en liet gasputten permanent verzegelen. Tegelijk vergen grootschalige wind- en zonprojecten forse investeringen in netuitbreiding: TenneT schat dat Nederland rond de 200 miljard euro nodig heeft om het net aan te passen voor variabele opwekking. De Nederlandse regeringscoalitie blijft vasthouden aan elektrificatie (warmtepompen, EV’s) en uitbreidingen zoals CO₂-opslag en groene waterstof, terwijl de analyse in het artikel betoogt dat zulke plannen zonder omvangrijke subsidies economisch onhaalbaar zijn en de energieprijzen niet substantieel zullen verlagen.
De auteur hekelt dat de industrie publiekelijk vaak blijft uitdragen dat zij net zero-doelen voor 2050 onderschrijft — wat volgens het artikel het politieke draagvlak voor dezelfde beleidslijn verstevigt die de sector schade berokkent. Brancheclub VNCI reageerde positief op het nieuwe Nederlandse coalitieakkoord omdat het compensaties en beleidszekerheid biedt voor energie-intensieve bedrijven (onder meer verlichting van elektriciteitskosten en schrappen van nationale CO₂-heffing). Maar zulke maatregelen betekenen volgens de schrijver vooral een verschuiving van kosten naar andere groepen of hogere overheidsuitgaven.
Het betoog sluit met een oproep aan de industrieleiders: toon lef en erken dat strikte klimaatdoelen economisch destructief kunnen zijn voor de industriële kern van Europa. Alleen door die doelen ter discussie te stellen — aldus de auteur — is er nog een reële kans om verlies van productiecapaciteit, kennis en strategische onafhankelijkheid te voorkomen.
Kort extra context: de chemiesector fungeert als basisindustrie voor tal van andere sectoren (farmacie, landbouw, materialen, verpakkingen). Het verdwijnen van binnenlandse chemische capaciteit kan gevolgen hebben voor toeleveringszekerheid, innovatie en concurrentiepositie van Europa ten opzichte van landen met lagere energieprijzen en stabielere energiebronnen.