Kinderen weggehaald uit gezinshuis waar vuurwapens werden gevonden. 'Dit verdient niet de schoonheidsprijs'

woensdag, 15 april 2026 (12:59) - Dagblad van het Noorden

In dit artikel:

Op 11 juni 2025 viel de Dienst Speciale Interventies een gezinshuis in Friesland binnen waar drie jongeren van 8 tot 19 jaar verbleven. De gezinshuisvader werd gearresteerd als onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek Barracuda — een zaak rond acht verdachten die volgens het Openbaar Ministerie (OM) aanslagen voorbereidden rond de NAVO-top in juni 2025. In het huis trof de politie meerdere vuurwapens, munitie, portofoons en in een afgesloten loods flessen castorbonen en een handleiding waarmee het dodelijke gif ricine gemaakt kan worden. Ook lagen er documenten met rechtvaardigingen voor geweld onder soevereïniteitsideeëen.

Direct na de inval wisten lokale instanties lang weinig concreets; politie en OM gaven aanvankelijk alleen aan dat de veiligheid van de kinderen niet was aangetast. Omdat spoedplaatsing traumatisch is en er weinig alternatieven beschikbaar waren, besloten de betrokken partijen — de Friese gezinshuisorganisatie (hoofdaannemer), Sociaal Domein Fryslân, de gemeente Leeuwarden, het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd — de kinderen voorlopig in het gezinshuis te laten. De gezinshuismoeder leek volgens die instanties niet betrokken bij de verdenkingen en de kinderen waren gehecht aan het verblijf; dat speelde mee in het besluit.

Later bleek dat wapens op verschillende plekken aanwezig waren, ook in keukenkastjes die volgens de moeder toegankelijk waren en in een badkamerkast die op slot zat. De hoofdaannemer zegt pas vlak voor de pro-formazitting echt te hebben begrepen wat er was aangetroffen. Toen hij het contract met het gezinshuis beëindigde — mede omdat de moeder de zorg niet meer alleen kon combineren met het werk op het paardenbedrijf en uit vrees voor mediabelangstelling — moesten de kinderen zorgvuldig worden overgeplaatst. Uiteindelijk verhuisden de drie kinderen ongeveer acht maanden na de inval, in februari en maart, naar nieuwe adressen; sommige konden terug naar hun ouders.

Verschillende kritiekpunten rijzen uit deze zaak. De hoofdaannemer wijst erop dat eerder, in oktober 2024, voor beide gezinshuisouders een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) was afgegeven, hoewel justitie en AIVD op dat moment al meldingen hadden dat de vader contacten had met radicaliserende personen en betrokken zou zijn bij de handel in vuurwapens. De zorgondernemer zegt nooit een melding of nadere toelichting van justitie te hebben ontvangen en is verbaasd dat de VOG toch werd verstrekt. Het OM weigert uit privacyoverwegingen te reageren op vragen over de VOG en waarom informatie niet eerder is gedeeld.

De gezinshuisvader zat ruim acht maanden in de gevangenis in Vught; hij wacht zijn verdere procesgang nu thuis af met een enkelband en zonder paspoort. Het OM ziet onder meer een opgenomen gesprek als aanwijzing voor samenspanning en voorbereidingshandelingen op een terroristische aanslag, maar in hoeverre de vader concreet aan plannen deelnam is nog onderwerp van beoordeling door de rechter.

Instanties stellen dat de veiligheid van de jongeren steeds voorop heeft gestaan en dat de overgang begeleid is door een gedragswetenschapper. Tegelijkertijd toont de zaak hiaten in informatie-uitwisseling tussen justitie, inlichtingendiensten en jeugdzorg en roept zij vragen op over toezicht en registratie van gezinshuisouders. De zaak benadrukt de spanning tussen het beschermen van kinderen tegen gevaar enerzijds en het voorkomen van ingrijpende, potentieel traumatische verplaatsingen anderzijds.