Kernuitstap EU was een blunder
In dit artikel:
Ursula von der Leyen heeft, net als Bondskanselier Friedrich Merz eerder dit jaar, publiekelijk erkend dat het afbouwen van kernenergie voor Europa een strategische fout was. Tijdens de Nuclear Energy Summit bij Parijs stelde ze dat het afkeren van een betrouwbare, laaguitstoot-energiebron verkeerd is geweest; Merz zei in januari al dat hij de kernuitstap betreurt maar hield vast aan het standpunt dat die onomkeerbaar is. De Duitse milieuminister Carsten Schneider veroordeelde nieuwbouw juist als een “achterwaartse strategie”, terwijl critici zoals Fritz Vahrenholt de beslissing van 2011 (na Fukushima) verantwoordelijk achten voor hoge kosten, stijgende stroomprijzen en industriële krimp.
Het politieke debat speelt zich af tegen de achtergrond van eerdere EU-beleidskeuzes: Eurocommissaris Frans Timmermans bestempelde kernenergie als niet-duurzaam en zag het hooguit als tijdelijke brug naar zon en wind, terwijl de EU-taxonomie kernenergie onder strikte voorwaarden als ‘groen’ heeft geclassificeerd. Tegelijk suggereren technische analyses dat sommige gesloten Duitse centrales nog te redden zijn; een studie van de Amerikaanse Radiant Energy Group identificeerde negen installaties die niet per se gesloopt hoeven te worden.
De Amerikaanse onderzoeker Roger Pielke Jr. rekent in twee scenario’s voor wat Europa met ander beleid had kunnen bereiken. In scenario 1 (kerncapaciteit tussen 2000–2024 in positieve plaats van negatieve ontwikkeling) zou Europa geen Russisch gas of Qatari LNG nodig hebben gehad en 66% van het kolengebruik hebben teruggedrongen; in scenario 2 (groei gelijk aan Frankrijks snelle opbouw 1970–1990) zou kolengebruik vrijwel geheel zijn verdwenen. Die tweede variant zou volgens Pielke bovendien genoeg overcapaciteit hebben opgeleverd om circa 129 miljard kuub gas te vervangen (Nederland gebruikt jaarlijks ~30–35 miljard kuub). Qua CO2-uitstoot zou scenario 1 in 2024 ongeveer 15% minder emissies hebben opgeleverd en scenario 2 rond 21% minder.
Pielke’s berekeningen illustreren dat een geleidelijke voortzetting van kernenergiebouw de EU minder afhankelijk van Russische energie en minder vatbaar voor recente crises — de gasboycot na 2022 en transportproblemen door spanningen in het Midden-Oosten — had gemaakt. Dat beeld voedt nu een hernieuwde interesse in nucleaire opties, waaronder toekomstige small modular reactors (SMR’s), hoewel die technologie nog in ontwikkeling is.
In Duitsland en Nederland weerspiegelt de discussie bredere beleidskeuzes over energiezekerheid: waar politici in de ene hoek vasthouden aan sluiting en onomkeerbaarheid, pleiten deskundigen en sommigen uit het bedrijfsleven voor heroverweging of behoud van capaciteit als veiligheidsbuffer. In Nederland wordt de vergelijking met de Groningen-gasbesluiten gemaakt: ook daar werd “onomkeerbaar” gezegd, maar de technische mogelijkheid om winning later toch weer mogelijk te maken blijft bestaan zolang afbouwprocessen niet volledig zijn voltooid.
Kort gezegd: recente politieke draaiingen en Pielke’s cijfermatige scenario’s zetten vraagtekens bij het Europese afzwaaien van kernenergie en benadrukken dat alternatieve keuzes decennia geleden de energiemix, afhankelijkheden en CO2-uitstoot substantieel hadden kunnen veranderen. De discussie verschuift nu van taboe naar voorzichtige herbezinning, maar daadwerkelijke nucleaire revival vergt volgens analisten nog veel tijd en politieke consensus.