Kerken Suriname en Caraïbisch Nederland voorbeeldig gastvrij
In dit artikel:
Tijdens een rondreis bezocht de auteur zes protestantse diensten in Suriname en het Caraïbisch deel van Nederland (Paramaribo, Curaçao, Bonaire, Sint Eustatius). Hoewel de hoofdstructuur – gebed, Bijbellezing, zingen en prediking – overeenkomt met de hervormde eredienst in Nederland, vielen grote verschillen in sfeer, taal en praktijk op: diensten werden gehouden in het Nederlands, Engels, Sranantongo, Papiamento en Spaans; ramen en deuren bleven vaak open zodat zang en boodschap op straat hoorbaar waren; lofzang kon uren duren en werd soms in de ik‑vorm gezongen; gemeenteleden namen actief deel met gebeden en getuigenissen; en vrouwelijke voorgangers stonden voor in meerdere gemeenten.
Concrete waarnemingen: in Paramaribo trekt de achthoekige Centrumkerk aandacht door een uitgebreide liturgie en een korte preek van een vrouwelijke dominee; er werd een ouderling bevestigd die opvallend de eerste man en blanke in die groene kerkenraad was. In een marrongemeente kreeg de auteur een uitbundig welkom en veel vurige gebeden in het Surinaams. Op Curaçao leidde een Zuid‑Amerikaanse predikant een dienst met lange, persoonlijk gekeerde gebeden en een Spaanse preek die nadruk legde op niet mopperen: “No murmurá!”; achteraf konden gelovigen gewijd water meenemen. Op Sint Eustatius waren er twee diensten: ’s ochtends een lange Engelstalige methodistische dienst met een oproep tot huisgodsdienst, ’s avonds een hevig en luid Spaanstalig samenkomen met knielen, uitgebreid lofzang en een serieuze preek over het laatste oordeel (“Jezus is de enige kans die je hebt.”). Op Bonaire was de kerk opvallend vol, mede door Nederlandse toeristen; de predikant pleitte er voor liefde die tot het uiterste gaat en afschaffing van beperkende regels.
De auteur formuleert vijf voorbeelden die Nederlandse kerken van deze overzeese gemeenten kunnen leren: gastvrijheid (bezoekers opmerken en welkom heten), openheid naar de omgeving (zang en boodschap hoorbaar maken), intensieve lofprijzing, ruimte voor inbreng van gemeenteleden tijdens de dienst en concrete oproepen tot huisgodsdienst. Omgekeerd biedt de Nederlandse reformatorische traditie vijf aandachtspunten voor Suriname en de Cariben: meer nadruk op de prediking als kern van de samenkomst; expliciete oproepen tot bekering en wedergeboorte waar die nu ontbreken; handhaving van het ambt voor mannen conform Bijbelse uitleg; aandacht voor hoofdbedekking volgens 1 Korinthe 11; en ernstiger zondagsheiliging.
De conclusie is niet veroordelend maar relationeel: door wederzijds te leren kunnen zowel eenzijdigheden als tekortkomingen worden beperkt. De auteur, journalist en ecoloog, pleit voor behoud van het goede en verbetering van het foute — een uitnodiging tot uitwisseling tussen kerkelijke tradities die historisch verbonden zijn maar verschillend leven en geloven.