Kees van Beijnum beschrijft zijn moeder, café-uitbaatster op de Wallen, als filmster
In dit artikel:
Kees van Beijnum (1954) voegt zich nu ook bij de recente stroom “moederboeken” met een omvangrijke autobiografische roman waarin zijn moeder het centrale figuur is: eerst café-uitbaatster op de Wallen, later eigenaresse van een afgeleefd hotel aan de Warmoesstraat, altijd op zoek naar sociale vooruitgang en omringd door dubieuze mannen. De vertelling speelt zich grotendeels in en rond Amsterdam tijdens de aarzelende opkomst van de jaren zestig en volgt Van Beijnums zoon — hier als Kees gepresenteerd — van kinderjaren tot volwassenheid, altijd kijkend naar zijn moeder als een soort filmsterfiguur. Belangrijke scenes (een ochtendwandeling in pumps langs een sportveld, de Mercedes die tegen een Ford Anglia botst, affaires met een Duitse man) schetsen haar theatrale, moedige levenshouding en haar neiging status te kopen met huizen, auto’s en spullen.
De roman bevat veel sterke, beeldende passages en rake zinnen; Van Beijnum is bedreven in sfeerbeschrijving en detail, van jukeboxen en vetkuiven tot tapedecks en racebrommers. Veel materiaal is herkenbaar uit zijn eerdere semi‑autobiografische werken (Dichter op de Zeedijk, De oesters van Nam Kee), maar nu expliciet gepresenteerd als autobiografie met de auteur als hoofdpersoon. Daardoor is het boek omvangrijker — bijna twee keer zo dik als sommige eerdere romans — omdat de auteur blijkbaar elke herinnering een plaats wilde geven.
Tegelijk valt op dat de tekst weinig reflectie toevoegt op die herinneringen. Waar veel succesvolle moedermemoires een spanningsveld creëren tussen het kind en de terugblikkende volwassene — een onderzoekende verteller die het verleden weegt en herinterpreteert — blijft Van Beijnums zoon grotendeels een personage in de derde persoon. Het ontbreekt aan de afstand en zelfanalyse die het verhaal dieper zouden maken; scènes volgen elkaar soms zonder dat de verteller laat zien hoe hij er nu naar kijkt. Daardoor wordt het geheel geregeld verzwakt door algemeenheden, overbodige anekdotes en een zekere futloosheid ondanks de levendige details.
Een centraal thema is sociale stijging: de moeder wil dat haar zoon het beter krijgt, wil dat hij ‘iets wordt’, en haar eigen opmars blijft bepalend voor het gezin. Het drama van de roman zit in de verering van de moeder door het kind en in de manier waarop dat kind zich laat meeslepen door haar levenswijze — zelfs als die uiteindelijk materiële successen oplevert, blijft de emotionele afhankelijkheid bestaan.
Kort samengevat: Van Beijnums nieuwe boek roept een compleet tijdperk op met veel kleur en kleine meesterstukjes, maar mist in grote lijnen de literaire herwaardering van herinnering die andere moederboeken wél weten te bereiken.