„Voor reformatorische mensen niet voor te stellen voor welke dilemma's Sefa komt te staan"
In dit artikel:
De Castricummer Sefa is een hoogbegaafde dj-producer die opgroeide zonder zijn Turkse vader en op zijn zeventiende internationaal doorbrak in de elektronische muziekscene. Hij maakt frenchcore, een melodieuzer subgenre van hardstyle — zelf ontstaan eind jaren negentig uit hardhouse, rave, techno en hardcore — maar zijn muzikale smaak reikt ook naar klassieke componisten als J.S. Bach. Sinds 2020 noemt Sefa zich christen, maar hij stopte niet met zijn carrière in de dansmuziek. In plaats daarvan zoekt hij manieren om zijn geloof en zijn muziek te verenigen.
De afgelopen jaren is zijn oeuvre veranderd: teksten en samples verwijzen steeds vaker naar bijbelse motieven en levensvragen. Een voorbeeld is het in september 2024 verschenen nummer "Het ergste moet nog komen", waarin tussen de keiharde beats passages klinken die verwijzen naar lijden en eindtijd en zelfs woorden uit Openbaring zijn verwerkt. Daarnaast organiseerde Sefa in samenwerking met de PKN een serie kerkconcerten waarin psalmen, geestelijke liederen en klassieke werken werden gecombineerd met strijkers, orgel, koor en af en toe een frenchcore-element. Bij die avonden nam Sefa een centrale, meer ingetogen rol in achter de piano. Die optredens trokken vooral kerkgangers, ook uit reformatorische kring, en leverden online veel positieve reacties op van luisteraars die zeggen meer betekenis te vinden in zijn latere werk.
Dat Sefa zijn muzikale praktijk blijft voortzetten terwijl hij gelovig is, roept echter vragen en verontwaardiging op binnen delen van de reformatorische wereld. Bart Bolier (43), zelf ooit actief in de dancewereld en sinds zijn terugkeer in 2004 ambtsdrager in de Gereformeerde Gemeente te Elspeet, volgt Sefa’s ontwikkeling nauwgezet. Bolier wil eerst met Sefa spreken voordat hij harde oordelen velt; een direct gesprek werd tot nu toe afgewezen door Sefa’s management. Hij ziet in recente interviews van Sefa een verschuiving naar explicieter christelijk taalgebruik: waar eerst enkel gevoelens van liefde en hoop werden genoemd, spreken zijn verklaringen nu vaker over het lezen van de Bijbel, genade en het offer van Christus.
Toch waarschuwt Bolier dat muziek niet neutraal is en dat hardstyle een bijbehorende levensstijl met zich meebrengt die moeilijk te verenigen is met bijbelse vroomheid. Hij wijst op de hedonistische kanten van gabber- en hardstyle-feesten — drugs, alcohol, uitbundigheid — en benadrukt dat beats met hoge bpm’s en zware bas een sterke emotionele en lichamelijke impact hebben. Volgens hem maakt dat hardstyle ongeschikt als drager van het evangelie; een bijbeltekst door een nummer mixen verandert volgens hem niet de aard van die drager. Bolier vergelijkt het gevaar met de situatie rond het gouden kalf: de verleiding om God te aanbidden op manieren die passen bij de wereld in plaats van volgens Gods geboden.
Verder betreurt Bolier dat binnen reformatorische kringen weinig open tegengeluid klinkt over Sefa’s artistieke koers. Hij ziet daarin een teken van bredere verschuivingen: een opkomst van gevoel als beoordelingsmaatstaf en een afvlakking van het onderscheid tussen heilig en onheilig. Ook signaleert hij dat in sommige presentaties van geloofsinhoud, zoals bij één van Sefa’s kerkconcerten, de nadruk op troost en zingeving zwaarder leek te wegen dan de kernboodschap van verzoening door Christus — voor hem een wezenlijk verschil in wat het evangelie moet benadrukken.
Bolier heeft vijf adviezen op papier staan die hij graag met Sefa wil delen tijdens een ontmoeting die gepland staat. Zijn benadering is enerzijds vriendelijk: hij waardeert Sefa’s zoektocht en intentie om ook in ‘duistere’ plaatsen iets van God te laten zien. Anderzijds spoort hij aan tot scherpte en radicale keuze: wie Christus centraal stelt, moet bereid zijn alles te laten varen wat het zicht op Hem vertroebelt.
Kortom: Sefa staat met zijn internationale carrière en zijn recente bekering midden in een spanningsveld. Hij experimenteert met het combineren van hardstyle en geloofsinhoud en bereikt daarmee nieuwe, ook kerkelijke publieken. Tegelijkertijd maken conservatieve reformatorische stemmen zich zorgen over de compatibiliteit van deze muziekstijl met bijbelse heiligheid en roepen op tot zorgvuldige beoordeling en duidelijke verkondiging van de kern van het christelijk geloof.