Kabinet schrapt verhoging AOW-leeftijd niet, eerst praten over alternatieven
In dit artikel:
Het kabinet heeft het plan om de AOW‑leeftijd sneller te laten stijgen nog niet definitief laten vallen, maar zet het voorlopig wel op pauze: er moet eerst een alternatief komen om de oplopende kosten van vergrijzing te dekken. Dat bleek tijdens een debat in de Eerste Kamer, waar een ruime meerderheid een motie van GroenLinks‑PvdA steunde om het versnellingsplan van tafel te halen.
In het coalitieakkoord van D66, VVD en CDA staat dat de AOW‑leeftijd één op één gekoppeld moet worden aan de levensverwachting (één jaar langer leven = één jaar langer doorwerken). Dat wijkt af van het Pensioenakkoord uit 2019, waarin was afgesproken dat één jaar extra levensverwachting gelijkstaat aan acht maanden later met pensioen. Het nieuwe voorstel stuit op veel weerstand; GroenLinks‑PvdA en medeondertekenaars (onder meer BBB, ChristenUnie, PVV, PvdD en FvD) vinden dat het Pensioenakkoord moet blijven gelden en wijzen erop dat de houdbaarheid van de AOW sinds 2019 is verbeterd door sterke economische groei.
Premier Jetten erkende dat het voorstel in beide Kamers geen meerderheid heeft en vertelde dat er een maand geleden al besloten is eerst geen wet vast te leggen. Tegelijk waarschuwt het kabinet dat het structurele probleem van de vergrijzing blijft: het aantal werkenden per AOW‑gerechtigde is fors gedaald. De twee betrokken ministers van Sociale Zaken beloven voor de zomer met nieuwe voorstellen te komen.
Minister Vijlbrief zegt voorlopig geen wetsvoorstel in te dienen en eerst met sociale partners te overleggen. Dat is onzeker terrein, omdat vakbonden (FNV, CNV, VCP) fel tegen het plan zijn en op 1 mei actie voeren; of ze daarna nog willen onderhandelen is onduidelijk.