Kabinet: oorlogsarchief zo snel mogelijk digitaal te raadplegen
In dit artikel:
Het demissionaire kabinet wil het oorlogsarchief van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) zo snel mogelijk digitaal en doorzoekbaar maken voor iedereen. Het archief bevat namen en dossiers van (voornamelijk overleden) Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog verdacht werden van samenwerking met de Duitse bezetter, maar ook mensen die later vrijgepleit werden en slachtoffers, waaronder Joden die in concentratiekampen zijn omgekomen.
Om privacy en maatschappelijke gevoeligheid te beschermen dient minister Janneke Moes een wijziging van de archiefwet in bij de Tweede Kamer. De wetswijziging introduceert “passende maatregelen” zoals heldere bescherming van persoonsgegevens en meldingen wanneer het om (mogelijk) nog levende personen gaat, en verankert het maatschappelijk belang van openbaarmaking in de wet. Moes benadrukt dat snelheid belangrijk is omdat veel betrokkenen en belangstellenden al op hoge leeftijd zijn en omdat archiefstukken cruciaal worden nu ooggetuigen uitsterven.
Achtergrond: de Autoriteit Persoonsgegevens stelde eerder dat het CABR zonder wettelijke grondslag niet volledig openbaar mocht worden gemaakt. Als tussenoplossing werd in januari vorig jaar alleen het namenregister vrijgegeven; dat leidde tot grote maatschappelijke onrust omdat de lijst ook namen van onterecht beschuldigde personen, mensen zonder dossier en oorlogsslachtoffers bevatte. Toegang tot onderliggende dossiers was mogelijk onder strikte voorwaarden en onder begeleiding, zonder kopieën.
Praktische uitbreidingen zijn al ingezet: sinds 1 juli is het CABR op enkele computers in de studiezaal van het Nationaal Archief doorzoekbaar. Vanaf 2 februari 2026 komen er extra tijdelijke faciliteiten: reserveringsplaatsen in elke provincie om het archief digitaal te raadplegen, mogelijkheden voor onderzoek in elf Regionale Historische Centra en een wetenschappelijke voorziening bij NIOD in Amsterdam. Wanneer het volledige digitale archief publiek wordt, hangt af van hoe snel de Tweede en daarna de Eerste Kamer de wetswijziging verwerken.