Kabinet moet afzien van subsidie Tata Steel, zeggen economen
In dit artikel:
Meer dan honderd economen, hoogleraren en lectoren verzoeken het kabinet af te zien van de voorgenomen miljardensteun aan Tata Steel Nederland. In een gezamenlijke brief aan de Tweede Kamer en het kabinet, gepubliceerd in het vakblad ESB enkele weken vóór het Kamerdebat over de overeenkomst met de staalproducent, vragen zij om heroverweging van de afspraak uit september 2025 waarbij het vorige kabinet een intentieverklaring sloot en tot twee miljard euro overheidsgeld beschikbaar zou stellen voor de verduurzaming van de IJmuiden‑locatie. Onder de ondertekenaars zijn namen van onderzoekers van universiteiten zoals Amsterdam, Rotterdam, Tilburg, Groningen en Maastricht.
De economen betogen dat die publieke middelen effectiever kunnen worden ingezet voor investeringen die het bredere concurrentievermogen van Nederland versterken. Ze wijzen er bovendien op dat Tata Steel IJmuiden niet alleen aanspraak maakt op subsidie, maar ook op schaarse productiefactoren: arbeid, fysieke ruimte, milieuruimte (waaronder stikstof), en beperkte duurzame energie‑ en netcapaciteit. Dat beslag beperkt de ruimte voor andere bedrijven en projecten om te verduurzamen en te groeien.
Het pleidooi erkent dat het argument van strategische autonomie voor steun aan een Europese staalindustrie verdedigbaar kan zijn, maar stelt dat zo’n doel alleen geloofwaardig is met Europese coördinatie en aanbestedingen. Voor Nederland, zonder eigen ijzerertsvangst, is volledige autonomie volgens hen onrealistisch. Ook waarschuwen zij dat Nederlandse staalproductie structureel duurder is door hogere energiekosten. Cruciaal is verder dat de huidige afspraken geen harde, juridisch afdwingbare garantie bevatten dat Tata Steel India toekomstige verliezen of extra investeringen in IJmuiden zal dragen; zonder zulke zekerheden blijft het risico dat de overheid bij tegenvallers opnieuw moet bijspringen.
Als alternatief suggereren de ondertekenaars impliciet dat publieke middelen beter besteed zouden zijn aan bredere investeringen in concurrentiekracht — bijvoorbeeld in energie, infrastructuur, onderzoek en arbeidsmarktvaardigheden — waar meer maatschappelijk rendement te halen valt.