Kabinet legt zich neer bij centrale rol Turkse diplomaat bij ISN: 'Geen inzicht in zijn agenda'

dinsdag, 19 mei 2026 (17:11) - GeenStijl

In dit artikel:

Onderzoek van GeenStijl laat zien dat de Turkse diplomaat Ömer Özgül praktisch de touwtjes lijkt te trekken bij de Islamitische Stichting Nederland (ISN/Diyanet), ook al staat hij niet formeel in het bestuur. Dat is extra opvallend omdat ISN eerder had toegezegd geen diplomaten meer in leidinggevende functies toe te laten na discussie over ongewenste buitenlandse beïnvloeding. Sociale-mediaberichten en bezoekverslagen tonen volgens de onderzoekers herhaaldelijke aanwezigheid van Özgül bij bijeenkomsten, een eigen kantoor in het ISN-pand en deelname aan bestuursvergaderingen.

Naar aanleiding van die bevindingen stelde FvD Kamervragen. Het kabinet-Jaap Berendsen/Aartsen antwoordde dat het geen inzage heeft in de agenda van buitenlandse diplomaten en dat Turkije binnen de Nederlandse rechtsorde vrij is diasporabeleid te voeren en relaties met organisaties als ISN te onderhouden, zolang dat niet de participatie van individuen belemmert. De ministers zien geen aanleiding om de AIVD extra te laten onderzoeken. GeenStijl wijst erop dat noch de Turkse ambassade noch ISN hebben gereageerd op vragen over Özgüls rol.

De krant beschuldigt het kabinet van wegkijken: formele ontkenning van bestuursfuncties volstaat volgens hen niet om daadwerkelijke invloed te weerleggen. Er wordt gesuggereerd dat de regering liever geen diplomatieke spanningen met Ankara zoekt, terwijl Erdoğan via Diyanet invloed zou kunnen uitoefenen op moskeeën en stichtingen in Nederland. De zaak raakt aan bredere zorgen over buitenlandse inmenging via religieuze netwerken en eerdere overleggen tussen Nederlandse instanties en ISN over onafhankelijkheid en toezicht.

Kortom: GeenStijl presenteert sterke aanwijzingen dat een Turkse diplomaat diep betrokken is bij ISN, terwijl het kabinet geen extra onderzoek wil en diplomatieke vrijheid als rechtvaardiging aanvoert. De kwestie werpt vragen op over hoe Nederland omgaat met mogelijke buitenlandse beïnvloeding van religieuze organisaties en over welke onderzoeks- of toezichtsmaatregelen passend zouden zijn.