Junidip: prachtig weer, weinig vlinders
In dit artikel:
Eind mei/begin juni lijkt Nederland vol bloemen en zon — maar vlinderrijen ontbreken vaak: de zogenaamde "junidip". Volgens het NEM-meetnet dagvlinders stijgt het gemiddelde aantal waargenomen vlinders vanaf maart naar ongeveer 17 per 1.000 meter en daalt begin juni naar zo’n 13 per 1.000 meter, om midden juni weer snel te stijgen. Dat cijfer dekt lokale leegtes niet: in het veld ontbreekt dan vaak het gewone witje en ook veel kroeglopers zoals dagpauwoog en kleine vos zijn schaarser dan je zou verwachten.
De verklaring is deels fenologisch: de echte voorjaarssoorten (bijv. oranjetipje) en de eerste generaties van meermaals per jaar vliegende soorten zijn al voorbij, terwijl de typische zomerplagen — groot dikkopje en bruin zandoogje — pas midden juni opdagen. Daardoor ontstaat tijdelijk weinig vlinderactiviteit.
Historisch ligt een diepere oorzaak aan deze junidip. Een groep soorten die ooit eind mei/begin juni piekte — waaronder het groot geaderd witje, moerasparelmoervlinder, zilverstreephooibeestje en de verdwenen rode vuurvlinder — is in Nederland vrijwel verdwenen. Deze eenjarige soorten (één generatie per jaar) overwinteren als halfvolgroeide rups en hebben behoefte aan schrale of vochtige bodems in bossen en graslanden. Habitatverlies door intensivering en grootschalige ruilverkavelingen in de 20e eeuw leidde tot een reeks uitstervingen tot diep in de jaren 80.
Wie toch rond die tijd veel soorten wil zien, kan nog in de Ardennen of de Eifel terecht; daar vliegen sommige van de bij ons verdwenen soorten nog wel. Herstel van geschikte, schrale en vochtige leefgebieden en behoud van laag-intensief beheer zijn volgens vlinderexperts nodig om de junidip op de lange termijn te verminderen. (Bron: Chris van Swaay / De Vlinderstichting; NEM)