Juan Pablo Moyano(49) werd als baby gestolen tijdens de dictatuur in Argentinië: 'Het enige wat ik terugkreeg, was mijn naam'
In dit artikel:
In Buenos Aires vertelt Juan Pablo Moyano (49) het verhaal van een leven dat begon met ontvoering en eindigde in teruggevonden identiteit en activisme. Als baby van 17 maanden werd hij op 14 januari 1978 met veel geweld van zijn moeder weggerukt; zijn ouders, leden van de Montoneros, verdwenen tijdens de militaire dictatuur die op 24 maart 1976 onder leiding van Jorge Videla begon. Tijdens die junta werden naar schatting 30.000 mensen het slachtoffer van ontvoering, marteling en verdwijning.
Moyano belandde bij onbekenden, kreeg een andere naam en kende een verstoorde jeugd: mishandeling door de vrouw die hem ‘geadopteerd’ had, gedragsproblemen en identiteitsgevoelens die hem jarenlang achtervolgden. In 1983, mede dankzij de publiciteit en het speurwerk van de Grootmoeders van Plaza de Mayo, vond zijn grootmoeder hem terug. Het herstel van zijn naam was het begin van een moeizame zoektocht naar wie hij werkelijk was; de emotionele en psychologische nasleep vergde lange verwerking.
Die persoonlijke geschiedenis plaatste Moyano uiteindelijk in het verzet tegen het vergeten. Hij sloot zich aan bij de Grootmoeders, geeft rondleidingen en voorlichting door het land en zet zich in voor het opsporen van andere gestolen kinderen. Hij is één van ongeveer 500 baby’s die tijdens de dictatuur werden ontvreemd of in gevangenschap werden geboren; tot nu toe zijn circa 140 van die gevallen opgelost, waardoor nog zo’n 350 mensen onbekend zijn met hun biologische afkomst. Moyano benadrukt dat families nog steeds wachten op antwoorden en dat de zoektocht doorgaat, ook al is financiering en politieke steun door de regering van Javier Milei sterk afgenomen.
Het artikel schetst ook hoe familiebanden en trauma doorwerken: Moyano maakte vroeg ruzie met georganiseerde activistische inzet omdat zijn grootmoeder dat afkeurde, maar de drang om – in haar woorden – mensen te helpen bleek erfelijk. Hij heeft twee dochters en wil hen politiek en sociaal bewust opvoeden; tegelijkertijd worstelt hij met de vraag in hoeverre hij de idealen van zijn vermoorde vader kan evenaren. Zijn opvattingen over revolutie, geweld en menselijk gedrag zijn somber en rechtlijnig, gevormd door ervaring en verlies.
Praktische hinderpunten in de zoektocht naar gestolen kinderen komen expliciet naar voren: bezuinigingen maken het lastiger om herdenkingen en campagnes te organiseren, en het vinden van ondersteuning vereist creatieve allianties — van vrienden bij ambassades tot artiesten en merchandising. Tegelijkertijd is er hernieuwde instroom van mensen die twijfelen aan hun afkomst en zich bij de Grootmoeders aanmelden, wat zowel hoop als veel werk betekent.
Moyano ervaart 24 maart, de datum van de coup, als een maatschappelijke en persoonlijke littekenwond. Waar vrienden hem die dag bellen om medeleven te betuigen, benadrukt hij dat de verantwoordelijkheid niet persoonlijk is maar collectief: een waarschuwing tegen macht die het volk wil onderwerpen. Zijn inzet is een poging die waarschuwing levend te houden en de onopgeloste pijn van families te helpen helen.