Jongeren in de bijstand hebben vaker zware problemen waardoor ze niet werken
In dit artikel:
Het aantal jongvolwassenen in de bijstand stijgt voor het derde jaar op rij, en ze blijven tegenwoordig langer afhankelijk van die uitkering. Dat blijkt uit een onderzoek van Frauke van Iperen van Divosa, dat maandag verscheen. Gemeenten signaleren dat veel jongeren niet alleen moeite hebben met het vinden van werk, maar door complexe psychische problemen, schulden en onzekere huisvesting feitelijk niet in staat zijn om te werken. Volledig arbeidsongeschikte jongeren vallen buiten de bijstand en komen in de Wajong; de bijstandsgroep betreft dus jongeren die op papier wel kunnen werken maar dat in de praktijk vaak niet lukt.
Gemeenten zouden de begeleiding naar werk moeten bieden, maar kampen zelf met beperkte middelen. Tegelijk blijven ggz-wachtlijsten groot, waardoor snelle hulp voor psychische klachten ontbreekt. Er zijn schrijnende gevallen van thuisblijvers die hun huis niet verlaten en van jongeren die bij ouders op de bank zitten zonder uitkering maar wel hulp nodig hebben. Woononzekerheid maakt terugkeer naar werk extra moeilijk: zonder vaste woonplek is arbeidsdeelname lastiger, en blijven mensen langer afhankelijk van het thuisfront vertraagt zelfstandigheid.
Als tegenwicht groeit het aanbod van arbeidsontwikkelbedrijven, zoals NoordWestGroep in Steenwijk, die stages, dagbesteding, werkervaringsplekken en soms meteen een contract bieden wanneer een werkplek passend blijkt. Michel Post van NoordWestGroep benadrukt dat thuiszitten achteruitgang betekent en dat vaak tijd en stapsgewijze begeleiding nodig zijn; sommige jongeren hebben baat bij één à twee jaar heroriëntatie zonder directe druk om te werken of studeren.
Er zijn ook beleidswijzigingen: sinds dit jaar moeten scholen signaleren wanneer leerlingen dreigen uit te vallen (Wet van school naar duurzaam werk), zodat gemeenten eerder kunnen interveniëren. De Participatiewet in Balans versoepelt bovendien regels voor bijstand, bijvoorbeeld door gemeenten meer ruimte te geven om direct een uitkering toe te kennen in plaats van vier weken werkzoekperiode te eisen. Van Iperen wijst erop dat een stijging van bijstandsinstroom niet per se negatief is, omdat het betekent dat jongeren zichtbaar zijn voor hulpverlening — mits daar voldoende capaciteit tegenover staat.