Jetten I blijft pal achter Israël staan

woensdag, 11 februari 2026 (20:23) - Joop

In dit artikel:

De schrijver hekelt wat hij ziet als een dubbelzinnige en hardnekkige steun van de Nederlandse regering aan de regering-Netanyahu en waarschuwt dat die houding leidt tot ongelijke behandeling van protesten tegen Israël. Hij onderscheidt drie publieke houdingen: mensen die de Palestijnse situatie als genocide bestempelen en strafrechtelijke verantwoording willen, mensen die bezorgd zijn maar terughoudend met fundamentele kritiek op Israël, en een groep die elke protestuiting als antisemitisch wegzet en pleit voor verdrijving van Palestijnen. Cruciaal is volgens de auteur dat Joodse Nederlanders in al die categorieën zitten, inclusief Joodse anti-zionisten.

Het kabinet richtte een Taskforce Antisemitismebestrijding op omdat sommige Joodse studenten en docenten zich onveilig voelen op universiteiten. Het Openbaar Ministerie constateert volgens de schrijver evenwel dat strafbaar antisemitisme op universiteiten zelden voorkomt; de incidenten die wél de wet overtreden, worden vervolgd. Toch gebruikt de Taskforce vaak brede criteria: Palestijnse vlaggen, sjaals, watermeloensymboliek of oproepen tot acties zouden automatisch als bedreigend worden gezien en mensen die oproepen tot opschorting van banden met Israëlische universiteiten worden bestempeld als ‘meelopers’ die onbewust antisemitische retoriek overnemen. De auteur betoogt dat zulke protesten vaak gericht zijn op instituties die banden hebben met de Israëlische regering en dus functioneren als kritiek op institutionele compliciteit, niet op Joden als groep.

In de media krijgen vooral pro-Israëlische Joodse studenten en docenten aandacht; hun trots-zionistische activisme en overwegingen om in Israël te studeren contrastereren volgens de schrijver met Joden die juist afstand nemen van het huidige Israëlische klimaat en naar Nederland willen verhuizen—die groep blijft onderbelicht. De Taskforce zou hierdoor ook buitenproportioneel het protestrecht inperken: beleidsplannen in Jetten I en eerder Schoof I voorzien beperking van demonstratievrijheid bij vermeende “grootschalige verstoring van de openbare orde”, en de auteur vreest selectieve handhaving (kritisch tegenover milieugroepen, boerenacties of anti-genocidebetogers).

Internationaal ziet hij vergelijkbare dynamieken in het VK en Duitsland, waar legale kritiek op Israël volgens deskundigen als Irene Khan steeds vaker onder antiterrorisme- of antisemitismeparaplu wordt beantwoord, met negatieve gevolgen voor vrijheid van meningsuiting en polarisatie. Als klein positief punt noemt de schrijver het geplande lobbyregister: dat zou transparanter maken met welke Israëlische officials Kamerleden contact hebben gehad.

Kortom: de schrijver signaleert een gevaarlijke mix van institutionele partijdigheid, overmatige classificatie van pro-Palestijns protest als antisemitisch en een ontwikkeling richting beperkingen van het demonstratierecht, met Europese voorbeelden als waarschuwing.