Je wordt kaal. Accepteer het! Maar hoe? Hopelijk biedt literatuur troost

woensdag, 6 mei 2026 (11:29) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Merijn de Boer beschrijft hoe zijn groeiende kaalheid niet alleen een fysieke verandering was, maar een langzaam opkomende obsessie die zijn zelfbeeld en dagelijks gedrag beïnvloedde. Wat begon als een anekdotische herinnering — “het begon in de Albert Heijn in Overveen”, waar een plafondcamera hem van bovenaf confronteerde met zijn eigen steeds wijder wordende tonsuur — mondt uit in een zoektocht naar begrip en troost in de literatuur. De Boer vergelijkt zijn ervaring met Couperus’ De binocle: als jongeman identificeerde hij zich met de nerveuze journalist die van bovenaf neerkijkt, nu voelt hij zich de bedaarde kale toeschouwer die ieder ogenblik een binocle op zijn hoofd zou kunnen verwachten.

Persoonlijke details maken het verhaal herkenbaar: familiegeschiedenis waarin kaalheid een generatie overslaat (opa’s kaal, vader met meer haar op hoge leeftijd, jaloerse broer), het dagelijks confronterende moment op het station van Overveen sinds 2016, en een patroon van zichzelf tegen dingen aan stoten — mogelijk een fysieke manifestatie van de psychologische kwetsbaarheid. Zijn moeder, psycholoog, bracht een Freudiaanse verklaring: het stoten zou iets onderdrukt willen aanwijzen. De Boer weigert pillen en haartransplantaties uit principiële bezwaren en omdat hij kunstmatig verzet tegen de natuur onprettig vindt, maar worstelt wel met de vraag hoe hij werkelijk in het reine moet komen met zijn uiterlijk.

Om antwoord te vinden duikt hij in de Russische literatuur in de Bibliotheek van Van Oorschot. Zijn inventarisatie levert weinig comfort op: bij Tsjechov en Toergenjev zijn kale personages vaak onaantrekkelijk, grijs, klein of dik — hun kaalheid wordt gebruikt om verwaarlozing, ouderdom of zwakte te accentueren. Gogol creëert vergelijkbare, weinig flatterende portretten. Dostojevski blijkt echter genuanceerder en vaker medelevend: bij hem kunnen kalende mannen degelijk, menselijk en zelfs aandoenlijk beschreven worden, niet louter als karikaturen.

Die nuance vindt De Boer het meest troostrijk. Hij haalt een scène uit Dostojevski’s Iemand anders z’n vrouw en de man onder het bed aan: een oudere, licht kalende opera­bezoeker vreest een damesbinocle op zijn hoofd, maar er valt een geparfumeerd liefdesbriefje — een beeld dat suggereert dat kaalheid ook ontvankelijk kan zijn voor affectie in plaats van alleen voor spot. Voor De Boer is dat geen magische oplossing, maar wel een literaire aansporing tot acceptatie: de schedel hoeft geen schand- of lachobject te zijn; er kan aandacht en zelfs liefde op neerdalen.

Kortom: De Boer combineert persoonlijke observatie, psychologische reflectie en literaire comparatie om te onderzoeken hoe je kunt leren leven met kaalheid. Zijn conclusie is voorzichtig hoopvol: literatuur — en met name Dostojevski — biedt een milder beeld van kalende mannen en helpt hem een positievere interpretatie van zijn eigen veranderende uiterlijk te vinden.