Je nachtrust meten met een smartwatch: ga je daar beter of slechter van slapen?
In dit artikel:
Steeds meer Nederlanders dragen een smartwatch of fitnesstracker die ’s nachts beweging en hartslag registreert. De apparaten presenteren de volgende ochtend een slaapscore, vaak aangevuld met schattingen van slaapduur, herstel en slaapfasen. Die informatie kan mensen bewuster maken van hun gewoonten, maar deskundigen waarschuwen dat gebruikers er ook onnodig bezorgd of geobsedeerd door kunnen raken.
Slaaponderzoekers zien geregeld mensen die medische hulp zoeken omdat hun horloge beweert dat ze slecht slapen, terwijl zij nauwelijks klachten hebben die op een slaapstoornis wijzen. Voor de angst die door zulke meldingen ontstaat, bestaat de term ‘orthosomnie’. Dat is geen officiële diagnose, maar in enkele beschreven gevallen verergerde het voortdurend controleren van slaapgegevens bestaande zorgen over de nachtrust.
Onderzoek laat zien dat mensen hun oordeel over de afgelopen nacht gemakkelijk laten beïnvloeden door hun stemming of door informatie die ze krijgen. In een studie onder 109 studenten hing de beoordeling van de nachtrust geregeld samen met hoe energiek iemand zich later op de dag voelde. Een positieve melding van een tracker zou daardoor een gunstig placebo-effect kunnen hebben; een negatieve uitslag kan juist het tegenovergestelde veroorzaken. In een experiment met mensen met slapeloosheid voelden deelnemers zich ’s avonds vermoeider wanneer hun was verteld dat ze slecht hadden geslapen, ook al hadden onderzoekers die informatie verzonnen.
Dat kan problematisch worden voor mensen die gevoelig zijn voor slapeloosheid. Een tegenvallende score kan piekeren uitlokken, waardoor iemand zich slechter voelt en opnieuw minder goed slaapt. Volgens slaapexperts kunnen wearables zo een bestaande vicieuze cirkel versterken. Tegelijkertijd is een slechte nacht op zichzelf normaal, bijvoorbeeld door stress of een huilende baby, en herstelt de slaap bij veel mensen vanzelf.
Ook technisch zijn de slaaprapporten minder betrouwbaar dan hun precieze grafieken suggereren. Een horloge om de pols meet vooral beweging en hartslag en leidt daaruit af wanneer iemand vermoedelijk slaapt of een bepaalde slaapfase doormaakt. De berekening achter die conclusies is voor gebruikers meestal niet inzichtelijk. Apparaten kunnen bovendien mislukte metingen verbergen of niet tonen, waardoor een gelikt rapport een betrouwbaarder indruk wekt dan de ruwe gegevens rechtvaardigen.
Een nog niet definitief beoordeelde studie uit Salzburg illustreert de verschillen tussen merken. Proefpersonen droegen twee horloges tegelijk. Vooral bij onregelmatige slaap gaven de apparaten uiteenlopende resultaten. Metingen van diepe slaap en remslaap weken geregeld af van betrouwbare registraties met elektroden op het hoofd. De slaapfasen werden in die studie slechts in ongeveer de helft van de gevallen correct herkend. Volgens onderzoekers zijn wearables daarom vooral geschikt voor globale trends, niet voor medische conclusies over één nacht.
De schijn van exactheid kan gebruikers toch overtuigen. Een score als 89 procent of een melding over een exact aantal minuten diepe slaap lijkt objectief, maar zegt zonder duidelijke norm niet wat ‘goede’ slaap is. Mensen zijn geneigd details die persoonlijk relevant lijken zelf betekenis te geven. Daardoor kunnen ze hun eigen gevoel ondergeschikt maken aan een apparaat, terwijl zelfs slaaplaboratoria geen eenvoudige één-op-éénrelatie kunnen vaststellen tussen meetgegevens en hoe uitgerust iemand zich voelt.
Dat heeft ook gevolgen voor de zorg. Volgens een cardioloog worden gezonde mensen soms ongerust door meldingen over bijvoorbeeld een lage nachtelijke hartslag. In een genoemd geval was er niets mis met een jonge, sportieve man: zijn hart werkte efficiënt, maar de wearable kon die context niet beoordelen. Op grote schaal kan dergelijke zelfscreening volgens deskundigen leiden tot extra zorgvragen die zonder de melding niet zouden zijn ontstaan.
Een tracker kan wel nuttig zijn wanneer iemand een beperkt, concreet doel heeft en de uitkomsten niet als diagnose beschouwt. Zo kan een gebruiker bijvoorbeeld wekelijks nagaan of eerder naar bed gaan effect heeft. Een kleine studie onder 32 gezonde vrijwilligers wees erop dat deelnemers na twee weken met een slaaptracker iets beter sliepen, mogelijk doordat zij overdag meer bewogen. Voor wetenschappers zijn wearables bovendien waardevol omdat zij grote groepen mensen langdurig kunnen volgen, al blijven de metingen grover dan die in een slaaplaboratorium.
De onderzoekers adviseren daarom om slaaprapporten niet dagelijks als oordeel over de eigen gezondheid te behandelen. Wie geen klachten heeft, hoeft zijn slaap bij voorkeur niet voortdurend te meten. Bij aanhoudende problemen zijn de ervaren klachten en professionele beoordeling belangrijker dan een horlogescore. Voor slapeloosheid blijft cognitieve gedragstherapie de aangewezen behandeling, waarbij mensen onder meer leren minder nadruk te leggen op het voortdurend controleren en interpreteren van hun slaap.
Vandaag Inside: Johan Derksen waarschuwt Mona Keijzer: 'Dát is het gevaar!'