Jarenlang werd Gisèle Pelicot gedrogeerd en verkracht door haar ex-man. 'Ik leer ermee leven'

donderdag, 16 april 2026 (16:26) - NRC Handelsblad

In dit artikel:

Gisèle Pelicot (73) ontdekte op 2 november 2020 van de politie dat haar man, Dominique Pelicot, haar jarenlang had gedrogeerd en dat er foto’s bestonden waarop tientallen mannen haar bewusteloze lichaam zouden hebben verkracht. Dominique en ruim vijftig andere verdachten zijn eind 2024 veroordeeld voor naar schatting tweehonderd verkrachtingen. Aanleiding voor het gesprek was de verschijning van haar memoires Ode aan het Leven (half februari, uitgeverij De Geus) en het in ontvangst nemen van de Freedom from Fear-award in Middelburg; het interview vond plaats in een hotel in Amsterdam.

Aanvankelijk kon Gisèle het geweld niet geloven; langzaam drong het besef door en raakte zij zwaar beschadigd. Ze beschrijft in het boek en in het interview haar proces van wederopbouw — de Franse term reconstruction — en noemt persoonlijke achtergronden die haar veerkracht mede hebben gevormd, zoals het verlies van haar moeder op jonge leeftijd. Schrijven hielp haar ook om te laten zien wie ze is buiten de rechtszaal: vóór de zaak zag het grote publiek slechts één kant van haar leven.

De emotionele nasleep leidde tot spanningen binnen het gezin. Haar dochter Caroline reageerde heftig, met woede en haat, en er was tijdelijk geen contact. Inmiddels is het contact hersteld; een medische ingreep en het overlijden van het hondje brachten moeder en dochter opnieuw samen. Caroline zet zich met haar stichting M’endors pas in tegen drogering, en moeder en dochter liepen samen kort mee in een feministische mars in Parijs op 8 maart.

Gisèle worstelt met het beeld van twee gezichten van haar ex-man: de kant die zij kende als zorgzame partner en de kant die in de rechtszaal naar voren kwam. Tijdens de procedure zei een psychiater volgens haar dat Dominique een gespleten persoonlijkheid heeft; zijzelf zegt geen perversie of manipulatie te hebben vermoed en noemt die ontdekking beangstigend. Toch bewaart zij ook de herinneringen aan vijftig jaar samen en stuurde hem zelfs warme kleding in de gevangenis. Ze overweegt hem nog te bezoeken om antwoorden te vragen.

De keuze om de zaak openbaar te laten verlopen was bewust: in Frankrijk mogen slachtoffers dat zelf beslissen. Aanvankelijk aarzelde ze vanwege schaamte en een ingetogen karakter, maar met steun van haar dochter, advocaten en haar netwerk besloot ze de deuren te openen. De publieke aandacht overtrof haar verwachtingen; de rechtszaak trok veel journalisten, solidariteitsbezoeken en duizenden brieven van andere vrouwen die hun eigen ervaringen deelden. Die verbondenheid gaf haar ook kracht en het gevoel dat haar openheid anderen kon aanmoedigen zich uit te spreken.

Privé is ze opnieuw een relatie begonnen met Jean-Loup, een man die eerder langdurig voor zijn zieke vrouw zorgde. Ze omschrijft hem als vertrouwenwekkend maar blijft alert; ze weigert te generaliseren en wil mannen niet over één kam scheren. Politieke etiketten zoals ‘radicale feminist’ wijst ze van de hand: ze voelt zich onafhankelijk en heeft feministische overtuigingen over gelijkheid en respect, maar zoekt geen confrontatie tussen mannen en vrouwen.

Haar boodschap aan slachtoffers van seksueel geweld is bemoedigend maar realistisch: niet iedereen heeft dezelfde middelen of kracht, maar spreken over wat je is overkomen is volgens haar de eerste stap naar herstel. Ze benadrukt het belang van hulpverlening, advocaten en steunorganisaties. Tegelijkertijd probeert ze haar privacy te bewaken en verzet ze zich tegen het reductieve beeld van haarzelf als enkel ‘slachtoffer van de zaak’; ze wil vooral als mens en overlevende gezien worden.