Jan Hertoghs: De winter is als een zeldzame vogel geworden

zaterdag, 3 januari 2026 (08:52) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

Jan Hertoghs (1953), Vlaamse journalist en verzamelaar van winterverhalen, wijdt zijn boek Kind zonder winter aan het verdwijnen van de koude seizoenen en aan het gemis dat dat met zich meebrengt. Uit ruim veertig jaar knipsels en reportages — van Noord-Finland en Maine tot de Ardennen en Noord-Amerika — bouwt hij een collage van korte, vaak melancholische hoofdstukken waarin hij zowel de schoonheid en speelsheid van sneeuw en ijs als het lijden en de gevaren van winterse omstandigheden belicht.

Centrale notie in het boek is wat hij zelf noemt “winterverlies”: de observatie dat echte winters zeldzaam zijn geworden. Hertoghs wijst op cijfers van de recentere jaren: van de afgelopen 25 winters waren er 19 zacht en negen daarvan buitengewoon zacht; slechts zes vielen in de categorie normaal, en sinds 2000 kwam er geen enkele strenge winter meer voor. In plaats daarvan treden volgens hem “nulwinters” of “waterwinters” aan de orde — winters die geen echte vorst of sneeuw brengen. Dat heeft gevolgen voor hoe mensen winter beleven: waar vroeger ijs en sneeuw het dagelijks leven op speelse wijze konden ontregelen, heerst nu vaker onverdraagzaamheid en een verlangen naar controle.

Hertoghs verbindt die maatschappelijke kentering aan de dominante “just in time”-cultuur: onvoorspelbaarheid door sneeuw, ijzel of vorst botst met logistieke en veiligheidsverwachtingen. Hij haalt voorbeelden aan van ouders die bij bevroren schoolpleinen zout eisen en van beleidsdiscussies waarin de economische kosten van fileleed door sneeuw nauwkeurig werden uitgerekend — iets wat bij hittegolven zelden of nooit in dezelfde mate gebeurt. Die ongelijksoortige aandacht voor zomer- versus winterproblemen voedt zijn ergernis, maar het boek is vooral ook een liefdesverklaring aan het seizoen.

Persoonlijke herinneringen kleuren het werk: Hertoghs vertelt dat hij geboren werd in de stormnacht van 31 januari 1953, een gebeurtenis die zijn interesse in extreem weer voedde. Als kind maakte hij kleine sloten en ondergelopen stukken land in de buurt tot winterparadijs; later reisde hij doelbewust naar strenge winters voor reportages. Hij deelt anekdotes — van een levensgevaarlijke sneeuwstorm in de Ardennen toen hij met vrouw en baby vast kwam te zitten tot een reportage over een gezin dat ooit in een huifkar van Antwerpen naar Moskou trok om een vredesboodschap te brengen — waarmee hij toont hoe de winter zowel avontuur als ontbering kan brengen.

Kleine, persoonlijke praktijken illustreren zijn verbondenheid: al vijftien jaar fotografeert Hertoghs sneeuwmannen — of liever ‘sneeuwmannen’, het ouderwetse woord dat hij verkiest — en verzamelde hij duizenden winterfoto’s. Het tijdelijke bestaan van de sneeuwpop, en het beeld van smeltende, holle ogen, symboliseert voor hem de vergankelijkheid van het seizoen.

Hertoghs draagt het boek op aan zijn kleinkinderen en erkent met droefheid dat zijn verwachtingen zijn bijgesteld: hij zou al tevreden zijn met één echte winterweek per seizoen, genoeg om kinderen te laten schaatsen en spelen. Met literaire verwijzingen en soms bijna bijbelse toonzetting pleit hij voor waardering van wat de winter nog biedt en waarschuwt hij dat het seizoen dreigt een zeldzame, te zoeken verschijning te worden — een “zeldzame vogel” die liefhebbers naar Ardennen of Hoge Venen doet reizen om hem nog te zien. Het boek is zo tegelijk memoires, reportagebundel en een melancholische waarschuwing over klimaat, cultuur en wat we verliezen als echte winters verdwijnen.