James Baldwin schreef het liefst met een minnaar aan zijn zij en uitzicht op zee, blijkt uit een nieuwe biografie

woensdag, 15 april 2026 (00:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Nicholas Boggs reconstrueert James Baldwins leven niet als politieke kroniek, maar als een keten van intense betrekkingen die zijn werk en identiteit bepaalden. Zijn boek Baldwin: A Love Story ontstond nadat Boggs in 1996 stuitte op een vaag verwijzing naar Yoran Cazac in David Leemings biografie en zes jaar later onverwacht een telefoontje kreeg van de Franse kunstenaar zelf. Die vondst leidde tot interviews in Parijs en uiteindelijk tot een omvangrijke, leesbare biografie die Baldwins bestaan via vier sleutelrelaties belicht: Beauford, Lucien, Engin en Yoran.

Boggs deelt het leven van Baldwin in die vier hoofdstukken, een ordelijke opzet die soms kunstmatig aanvoelt omdat Baldwins relaties elkaar overlappen en zijn broer David – een constante aanwezigheid – in deze indeling minder nadruk krijgt. Toch levert de keuze veel inzicht op in de wisselwerking tussen verlangen en creatie die door Baldwins loopbaan loopt: onvervuld romantisch verlangen verlegt zich herhaaldelijk naar kunstproductie.

Beauford Delaney was de eerste pijler: een oudere zwarte schilder die Baldwin een soort spirituele vader en mentor werd in het New York van de jaren veertig. In Delaneys atelier leerde Baldwin nieuw te kijken naar licht, kleur en nuance — ervaring en beeldtaal die later in zijn essays en fictie doorwerken. Delaney maakte van de jonge Baldwin een kunstenaar die kon durven spreken als zwarte man.

Lucien Happersberger, de Zwitserse schilder, was Baldwins grote romantische liefde en de partner in het idyllische hoofdstuk waarin Baldwin afgezonderd in de Alpen zijn eerste roman afwerkte. Het Zwitserleven leverde zowel Go Tell It on the Mountain als het essay Stranger in the Village op: verblijf in het buitenland bood Baldwin afstand om Amerika en ras te observeren en te ontleden. Dat buitenlandse perspectief maakte hem tot trans-Atlantische forens, voortdurend op zoek naar afgelegen, bergachtige plekken — Corsica, Saint-Paul-de-Vence, Istanbul — waar hij met een minnaar naast zich kon schrijven.

De mannen die Baldwin liefhad, hadden zelden dezelfde seksuele zelfidentificatie als hij; zoals hij het zelf stelde, beschouwden veel van zijn minnaars zichzelf niet als homo. Dat schepte spanningen: geliefden die heimelijk of expliciet terugkeerden naar een conventioneel heteroleven lieten Baldwin met onvervulde verlangens achter. Die teleurstelling werd vaak productief: Giovanni’s Room bijvoorbeeld put uit de ervaring van een relatie met mannen die niet openlijk voor hun homoseksualiteit uitkomen.

Engin Cezzar, een charismatische Turkse acteur, belichaamt de artistieke en theatrale kant van Baldwins relaties. Cezzar bood Baldwin onderdak in Istanbul en samen met Cezzars echtgenote Gülriz Sururi organiseerde Baldwin een druk sociaal-cultureel leven terwijl hij werkte aan Another Country en een toneelproductie over transgevangenen realiseerde. Cezzars loopbaanvoortgang en terugkeer naar Turkije illustreren het patroon van intense, kortstondige verweving van liefde en kunst.

De laatste pijler is Yoran Cazac, wiens opdoken in 2002 Boggs’ boek een onverwachte afsluiting geeft. Door meerdere gesprekken met Cazac — net voor diens dood in 2005 — voegt Boggs nieuw, persoonlijk materiaal toe over de dynamiek tussen Baldwin en een minnaar die uiteindelijk zijn vrouw koos. In het vierde deel treedt Boggs zelf op in de tekst: zijn zoektocht naar Cazac en de daaropvolgende interviews fungeren als een meta-narratief dat laat zien hoe biografisch onderzoek zelf deel kan worden van het verhaal.

Thematisch laat Boggs’ benadering zien dat Baldwins liefdes vaker een motor waren voor creatie dan voor blijvende intimiteit. Seks en affectie kwamen voor, maar de werkelijke vervulling voltrok zich op het bureau of in het atelier; verlangen incubeerde en explodeerde in romans, essays en toneel. Boggs suggereert ook een terugkerend patroon van verlangensdriehoeken: een derde element verhindert vaak directe vervulling, waardoor het verlangen zich naar kunst en taal verplaatst — een idee dat soms overtuigender is dan andere keren, afhankelijk van de relatie.

Al met al biedt Boggs een rijk, persoonlijk portret van Baldwin: niet alleen als strijder in de burgerrechtenstrijd of intellectueel, maar als een man voor wie liefde voortdurend grensverleggend en productief was. Zijn levenslange pendelen tussen Europa en Amerika, zijn voorkeur voor afgelegen schrijfrituelen en zijn relaties met onstandvastige, vaak heteronormatieve minnaars blijken centrale verklaringen voor zowel Baldwins worstelingen als zijn grootste literaire successen. Zoals Baldwin zelf ooit ervoer, werd zelfkennis vaak via de ander bereikt — en voor hem betekende liefde bovenal een sidderend avontuur.