Israël volgens Amnesty International schuldig aan etnische zuivering Westoever
In dit artikel:
Amnesty International stelt in een nieuw rapport dat Israël actief aanstuurt op het verdrijven van Palestijnen uit de Westelijke Jordaanoever en daarmee een systeem onderhoudt dat neerkomt op apartheid. De organisatie baseert zich op interviews met Palestijnen, wetsvoorstellen, fotografisch en satellietbewijs en concludeert dat politieke beslissingen en beleidsmaatregelen het Palestijnse bestaan in met name zone C — ruim 60% van de Westoever, onder volledige Israëlische militaire controle — structureel ondermijnen.
Het rapport signaleert dat Palestijnen geen gelijkwaardige burgerrechten hebben, dat hun bewegingsvrijheid sterk wordt beperkt door checkpoints en aparte wegen, en dat bouw- en leefruimte systematisch worden beknot terwijl Israëlische kolonisten ruim baan krijgen. Volgens door Amnesty verzamelde VN-data waren eind april bijna 6.000 Palestijnen ontheemd; er bestaan 363 nederzettingen op de Westoever, waarvan 212 sinds 2023 zijn ontstaan. Hoewel nederzettingen volgens internationaal recht illegaal zijn, stimuleert en faciliteert de Israëlische staat hun uitbreiding — met goedkeuring, financiering en infrastructuur — en het leger werkt daar volgens het rapport vaak aan mee.
De situatie verslechterde scherp na 7 oktober 2023: sindsdien zouden duizenden extra wapens zijn uitgedeeld aan kolonisten en werden ruim 240.000 wapenvergunningen afgegeven, ver boven het eerdere jaarlijkse gemiddelde van zo'n 8.000. Aantal aanvallen door kolonisten steeg van 50 (2020) naar 330 (2024) en daarna tot een dagelijks gemiddelde van ongeveer vier; in het eerste kwartaal van 2026 lag dat rond zes per dag. Deze geweldsgolf leidde tot minstens 31 dodelijke slachtoffers onder Palestijnen, vele gewonden en grootschalige vernieling van huizen, landbouwgrond en essentiële voorzieningen zoals waterleidingen, waardoor delen van de Westoever onleefbaar zijn geworden.
Amnesty meldt ook dat de Israëlische autoriteiten zelden tegen kolonisten optreden; slachtoffers die geweld melden worden zelf vaak ondervraagd, beboet of vastgezet. In veertien gedocumenteerde gevallen waren Israëlische militairen aanwezig tijdens aanvallen en grepen niet in of werkten mee, wat volgens de organisatie duidt op samenwerking. Op basis hiervan kwalificeert Amnesty de praktijk als de misdaad tegen de menselijkheid van gedwongen verplaatsing en roept landen op harder op te treden.
Het Verenigd Koninkrijk kondigde samen met Noorwegen, Canada, Frankrijk, Nieuw-Zeeland en Australië maatregelen aan, zoals het bevriezen van tegoeden van netwerken die aanvallen door kolonisten financieren. Amnesty en onderzoekers zoals Anne de Jong vinden dat zulke stappen onvoldoende zijn; zij pleiten daarnaast voor handelsverboden en een volledige stop van militaire samenwerking, omdat diplomatieke veroordelingen zonder economische of militaire consequenties Israël niet zouden deren.