Grote zorgen in Israël na 'zwarte sjabbat': enorm dilemma rond luchtafweer door gevreesd wapen Iran
In dit artikel:
Na drie weken oorlog viel het gevoel van relatieve veiligheid in Israël opnieuw weg toen zaterdagavond en zondag grote raketaanvallen het binnenland troffen. Grote explosies in Dimona en Arad verwoestten woonblokken en veroorzaakten honderden gewonden; bij de twee inslagen in het zuiden raakten in totaal bijna 200 mensen gewond, van wie zeker elf ernstig. In Misgav Am, aan de noordgrens met Libanon, werd zondagochtend door een antitankgranaat een auto geraakt; daarbij kwam minstens één persoon om het leven.
De aanvallen tonen aan dat het luchtafweergeschut niet onfeilbaar is: afweersystemen misten in Dimona en Arad hun doel, en het leger onderzoekt die uitkomsten. Door de escalatie moesten scholen die weer open waren, opnieuw sluiten en renden inwoners uiteen tijdens schermutselingen in het centrum — in Tel Aviv vielen brokstukken rond het Habima-plein en raakten meerdere woningen beschadigd; zeker vijftien mensen raakten daar gewond.
Iran voerde zaterdagavond volgens berichtgeving een intens bombardement op het zuiden van Israël uit. Dimona, op zo’n tien kilometer van de vermoedelijke nucleaire faciliteit, werd getroffen (ongeveer zestig gewonden, schade aan woningen en een kleuterschool). Kort daarna werd Arad getroffen door een raket met honderden kilo’s explosieven, met daar meer dan honderd gewonden tot gevolg. Iraanse staatsmedia beweerden dat doelwitten ook nucleaire sites waren; Israël ontkent betrokkenheid bij eerdere aanslagen die Iran als rechtvaardiging noemt.
Een opvallend kenmerk van de Iraanse raketaanvallen is het frequent gebruik van clustermunitie: ongeveer de helft van de projectielen droeg submunitie die over een breed gebied uiteenvalt. Dat vergroot angst en schade aan infrastructuur, maar leidt relatief vaak tot weinig dodelijke slachtoffers wanneer mensen tijdig de schuilkelder bereiken. Toch vielen ook tragediën, zoals een ouder echtpaar in Ramat Gan dat de schuilplaats niet tijdig bereikte. Sinds het begin van de oorlog op 28 februari werden tot nu toe zo’n 350 ballistische raketten op Israël afgevuurd — minder dan vorig jaar in een kortere periode — en Israël zegt rond de 90 procent van de bedreigingen richting woongebieden te hebben onderschept.
De grensaanvallen vanuit Libanon en de doden aan de noordgrens vergroten de druk op Israël om militair op te treden; het leger stuurt een extra divisie naar Libanon en spreekt zich uit tegen grootschalige evacuaties van grensbewoners, terwijl er wordt gewerkt aan de aanleg van een bufferzone. Premier Netanyahu noemde de situatie “zeer moeilijk” en zei dat Israël zijn tegenstanders op alle fronten blijft bestrijden; legerleider Zamir stelde dat de campagne tot nu toe ongeveer halverwege is. In totaal zijn in drie weken meer dan 4.500 mensen in ziekenhuizen behandeld, meestal voor lichte verwondingen door vlucht naar schuilkelders.