Is 'true crime' journalistiek of entertainment? Voor de familie en nabestaanden is het in elk geval een tweede klap

woensdag, 9 september 2026 (12:29) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

De populariteit van true crime heeft een schaduwzijde die in podcasts, documentaires en series vaak onderbelicht blijft: de gevolgen voor nabestaanden van moordslachtoffers. Zij worden geregeld niet vooraf geïnformeerd, zien onjuiste of sensationele details terug in de media en voelen zich daardoor opnieuw slachtoffer.

Dat ervoer de familie van Max Klaassen, die op 13 november 2018 werd doodgeschoten in een growshop in Enschede. Bij de schietpartij kwamen vier mannen om het leven. Max was volgens zijn familie alleen in de winkel om meststof te brengen en werd vermoord omdat hij getuige was van de andere moorden. Toch meldde de burgemeester aanvankelijk dat het om vier criminelen ging. De familie moest via de rechter een rectificatie afdwingen; die verscheen pas drie jaar later.

Volgens zoon Randy hoorde de familie bovendien veel details over de moord via RTV Oost, nog voordat de politie hen had geïnformeerd. Zo kreeg hij in een pushbericht te lezen hoe zijn vader was doodgeschoten. De omroep maakte ook een 3D-animatie van de plaats delict. De familie vond dat onnodig sensationeel en voelde zich na de moord voortdurend bekeken. Journalisten stonden in de buurt en spraken buurtbewoners aan. Moeder Sonja en haar zoon Raymond, die in een rolstoel zit en zijn vader als mantelzorger verloor, gingen uit angst jarenlang niet meer in hun eigen omgeving wandelen of boodschappen doen.

Twee jaar later schreven RTV Oost-journalisten Jan Colijn en Tom Meerbeek een boek over de zaak. Dat leidde tot podcasts en plannen voor een film, zonder dat de familie volgens Randy voor die producties was geïnterviewd. Citaten zouden zijn overgenomen uit politieverhoren. De ervaring van de familie staat niet op zichzelf. Uit een vragenlijst van De Groene, ingevuld door 47 nabestaanden via de Federatie Nabestaanden Geweldslachtoffers (FNG), zegt ruim de helft vooraf niet te zijn geïnformeerd over publicaties over hun vermoorde familielid. Zij noemen onverwachte berichtgeving, sensatiezucht en feitelijke fouten als belangrijkste problemen.

Organisaties als de FNG en Namens de Familie spreken van secundaire victimisatie: nabestaanden worden na het oorspronkelijke trauma opnieuw beschadigd door berichtgeving. FNG-voorzitter Lena Olivier, die zelf haar zus verloor door femicide, zag bijvoorbeeld eerder een mediabericht met een foto van het huis dan dat de politie haar informeerde. Nabestaanden moeten in een periode van intens verdriet bovendien vaak zelf reageren op journalisten, streamingdiensten en rechtszaken over de manier waarop hun familielid wordt neergezet. Bij veel families leiden de gevolgen van de moord ook tot verlies van werk, relaties, inkomen of hun woning.

Onjuistheden kunnen het rouwproces diepgaand verstoren. Suus Joosten las in Het Parool dat de vingers van haar vermoorde dochter Esther waren afgeknipt. Zij wist dat dit niet klopte, maar begon door het bericht toch aan haar eigen herinneringen te twijfelen. Later erkende journalist Paul Vugts dat de informatie onjuist was. Joosten zegt dat contact met journalisten daarna juist verbetering bracht: er verschenen minder fouten en er kwam meer aandacht voor het perspectief van de familie. Bij cold cases kan samenwerking bovendien belangrijk zijn om een zaak opnieuw onder de aandacht te brengen.

Ook de familie van Marianne Vaatstra, die in 1999 op zestienjarige leeftijd werd verkracht en vermoord, ervaart dat hun geliefde tot publiek bezit is gemaakt. Over haar verschenen onder meer podcasts, documentaires, boeken, toneelstukken en een televisieserie, vaak zonder dat de familie wist dat die producties werden gemaakt. Nabestaanden zien nog altijd mensen bij de plaats delict. Volgens zus Wilma Vaatstra wordt er geld verdiend met hun persoonlijke tragedie, terwijl voor de familie geen einde komt aan het verdriet.

Nabestaanden vinden dat media en makers zich te sterk op daders richten. Hun familieleden worden vaak vooral als slachtoffer van een misdrijf beschreven, niet als mensen met een eigen leven en karakter. Onderzoek naar true-crimeprogramma’s laat zien dat slachtoffers minder vaak bij naam worden genoemd en minder aandacht krijgen dan daders. Andere studies wijzen op victim blaming, waarbij gedrag of keuzes van het slachtoffer impliciet of expliciet als oorzaak van de moord worden voorgesteld. Naomi Inez Wielinga zweeg 25 jaar over de moord op haar moeder omdat de verdediging haar moeder in de rechtszaal als medeverantwoordelijk had afgeschilderd. Met haar theatervoorstelling Geen vaarwel probeert ze haar moeder opnieuw als een veelzijdige, kunstzinnige vrouw zichtbaar te maken, in plaats van alleen als slachtoffer.

De groei van true crime maakt de grens tussen journalistiek en entertainment steeds vager. Podcasts en series gebruiken vaker cliffhangers, geluidseffecten en dramatische beeldvormen om publiek te trekken. Nabestaanden hebben daar moeite mee, vooral wanneer jaren na de moord een zaak opnieuw wordt opgerakeld voor commerciële doeleinden. De Raad voor de Journalistiek stelde in een zaak over een true-crimepodcast dat verhalende producties extra zorgvuldig moeten worden gemaakt, omdat ze zowel minder waarheidsgetrouw kunnen zijn als meer schade kunnen veroorzaken.

Journalisten Jan Colijn en Paul Vugts zeggen dat zij waar mogelijk contact zoeken met nabestaanden of via politie en slachtofferadvocaten laten weten dat een publicatie verschijnt. Zij vinden toestemming niet noodzakelijk: persvrijheid en het maatschappelijke belang van misdaadberichtgeving wegen zwaar. Details kunnen volgens hen nodig zijn om uit te leggen wat er is gebeurd. Tegelijk erkennen zij dat contact met nabestaanden de berichtgeving kan verdiepen, fouten kan voorkomen en slachtoffers een gezicht kan geven. Media-ethicus Huub Evers vindt goedkeuring vooraf evenmin vereist, maar wel dat nabestaanden ten minste worden geïnformeerd en dat journalisten onnodig leed vermijden. Vooral bij podcasts die jaren later oude zaken opnieuw vertellen, vraagt hij zich af of alle details nog journalistiek noodzakelijk zijn.

Volgens true-crimepodcastmaker Dija Kabba verschuilen makers zich te gemakkelijk achter persvrijheid en maatschappelijke relevantie. Veel producties zijn volgens haar vooral bedoeld om te vermaken. Zij vindt dat makers verantwoordelijkheid moeten nemen voor de gevolgen van hun werk en nabestaanden niet moeten mijden uit angst voor een afwijzing. In haar podcast Niemandsland stond daarom het perspectief van nabestaanden centraal en konden zij de afleveringen vooraf beluisteren. De productie behandelde niet alleen de moord, maar ook het maatschappelijke probleem erachter. Nabestaande Saskia Wolters vond dat waardevol omdat de makers luisteraars iets wilden leren in plaats van alleen spanning te bieden.

Onderzoek laat zien dat een deel van het publiek meer aandacht voor slachtoffers wil. De populariteit van het genre hoeft volgens de betrokkenen dus niet te verdwijnen, maar de aanpak moet veranderen: meer feitelijke zorgvuldigheid, vooraf contact met nabestaanden en minder nadruk op daders, sensatie en commercie. True crime kan volgens hen ook bijdragen aan begrip en maatschappelijke verandering, zolang de echte mensen achter het verhaal niet uit beeld raken.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Johan Derksen reageert op voorgenomen besluit om licentie Ongehoord Nederland in te trekken