Is schaatsen met beide handen op de rug sneller? 'We doen eigenlijk maar wat'

dinsdag, 10 februari 2026 (18:16) - NOS Nieuws

In dit artikel:

Beorn Nijenhuis, oud-schaatser en nu neurowetenschapper, denkt dat schaatsen met beide armen achter de rug de toekomst kan zijn — al ontbreekt wetenschappelijk bewijs voor alle aspecten daarvan. Hij wijst op recente topprestaties die het idee ondersteunen: Davide Ghiotto’s wereldrecord op de 10.000 meter (januari vorig jaar) en Sander Eitrem die in Inzell vorige maand onder de zes minuten dook op de 5 km. Op rechte stukken levert de houding volgens Nijenhuis duidelijk voordeel op, maar of die winst zich ook in bochten voordoet is onbekend omdat biomechanische data ontbreken.

Nijenhuis, 42, die onder meer voor TVM en Hofmeier reed en aan de Winterspelen van 2006 meedeed, pleit voor meer systematisch onderzoek. Hij schetst tegelijk een alternatief idee: door één arm half achter de rug te houden kan de luchtdrukzone achter het lichaam veranderen en zo — vergelijkbaar met de zuiging die fietsers achter een auto ervaren — snelheid in bochten bevorderen. Dat soort inzichten ontstaan volgens hem echter vaak via proefondervindelijk uitproberen en geluk, niet alleen door theoretische berekeningen.

Hij trekt een contrast met de invoering van de klapschaats, een innovatie die wel gebaseerd was op biofysisch onderzoek en zo stap voor stap werd geaccepteerd. Nu ziet hij vooral kleine, experimentele aanpassingen en veel giswerk. Praktische vragen blijven: wanneer op afstanden als de 1.000 en 1.500 meter is het optimale moment om je handen achter de rug te plaatsen? De 500 meter blijft volgens hem een discipline van zwaaiende armen vanwege de benodigde krachtontwikkeling, maar op langere sprintafstanden kan het vasthouden van topsnelheid met de handen op de rug aantrekkelijk zijn. Nijenhuis verwacht dat dit de 1.500 meter op termijn ook interessanter kan maken voor pure sprinters.

Een belangrijke remmende factor is de conservatieve cultuur binnen de sport: atleten riskeren tijd en prestaties als experimenten geen voordeel opleveren, waardoor grootschalige veranderingen zeldzaam blijven. Nijenhuis ziet daarom nog veel onontdekte mogelijkheden, maar benadrukt dat harde biomechanische onderbouwing nodig is voordat dergelijke veranderingen algemeen worden omarmd.