Is het einde van de Limburgse stroop in zicht? Enkel families Wiertz en Bleus houden het ambacht nog in stand
In dit artikel:
Limburgs stroopstoken staat op een keerpunt: van een kleine veertig bedrijven in de 19e eeuw zijn er nu nog maar twee over. De ambachtelijke productie concentreert zich bij Stroopstokerij Wiertz in Voeren (Commanderij van Sint-Pieters-Voeren) en bij Stroopfabriek Bleus NV in Wellen (Haspengouw). De verkoop van de stokerij in Vrolingen maakt de toekomst extra onzeker.
In Voeren koken vader Eugène Wiertz (65) en zijn zoon Wim (28) jaarlijks in september en oktober appels en peren in koperen ketels tot er een dikke stroop ontstaat. Eugène combineert het stoken met een melkveebedrijf; fruit van hoogstamboomgaarden dat anders zou bederven, gebruikt hij om stroop te maken. De ketel die ze gebruiken is bijna honderd jaar oud — een familierelic dat tijdens de Tweede Wereldoorlog begraven werd om het van de bezetter te verbergen. Wim werkt daarnaast als lector en onderzoeker en ziet stroopstoken als een hobby naast zijn baan: “Voor mij zal dit altijd een hobby blijven,” zegt hij, en hij geeft aan niet te willen doorgaan als zijn vader stopt.
In Wellen leidt de familie Bleus een nog oudere traditie: sinds 1843 maakt die familie stroop, inmiddels in de zesde generatie. Raf Bleus (50) en zijn vader Johnny (75) stoken zeven dagen per week in een moderne fabriek die Raf na een periode in een kelder en een door de stad gesaneerde locatie in Borgloon bouwde. Raf raakte door een zwaar arbeidsongeval eerder geïnteresseerd in stroop en bouwde vervolgens eigen machines; de fabriek werkt met drie kookketels, twee nog van koper, en produceert jaarlijks grofweg 80.000–100.000 kilo stroop. Ondanks die volumes is het vak zwaar, arbeidsintensief en financieel geen goudmijn, en Raf erkent dat het beroep langzaam uitstervend is. Hij zegt vastberaden door te gaan: “Ik zal net als mijn grootvader aan de ketel sterven,” aldus Raf, die tegelijk zoekt naar een opvolger.
Het ambacht zelf is eenvoudig van opzet maar tijdrovend: fruit wordt gekookt, geperst om sap te winnen en daarna langdurig ingedikt tot stroop. De productie bindt landschap, traditie en lokale economie: hoogstamgaarden leveren het ruwe materiaal en voorkomen verspilling van gevallen fruit. De makers benadrukken dat er nog vraag is — ook uit het buitenland, zoals Engeland en de VS — maar dat kandidaten om het zware werk en de lange uren over te nemen schaars zijn.
Kortom: Limburgse stroop leeft nog, dankzij gepassioneerde families die traditie, vakmanschap en innovatie combineren. Tegelijkertijd maakt vergrijzing, intensieve arbeid en beperkte opvolging de continuïteit fragiel. Als de stokerij in Vrolingen inderdaad van eigenaar verandert zonder overnemer, kan dat het aantal producenten verder terugbrengen en het regionale ambacht nog kwetsbaarder maken.