Is de Europese economie in verval, of laten Europeanen zich dat aanpraten?
In dit artikel:
De Franse econoom Philippe Aghion waarschuwt dat Europa economisch terrein verliest aan de Verenigde Staten. Zijn Amerikaanse collega en Nobelprijswinnaar Paul Krugman vindt die sombere diagnose overdreven. Volgens hem geven veel gebruikte groeicijfers geen volledig beeld van de Europese levensstandaard en laten Europeanen zich te veel beïnvloeden door de kritiek uit de regering-Trump.
De Amerikaanse economie groeide sinds 2000 gemiddeld met 2,2 procent per jaar, tegenover 1,5 procent in Europa. Ook de productiviteit nam in de VS sneller toe: gemiddeld 1,6 procent per jaar, tegen 1 procent in Europa, volgens cijfers van de OESO. Aghion stelt dat dit verschil zwaar weegt, omdat productiviteitsgroei de ruimte creëert voor hogere lonen, sociale voorzieningen, defensie, verduurzaming en technologische ontwikkeling. Zonder versnelling dreigt volgens hem een langdurige achteruitgang.
Krugman bestrijdt niet dat de Amerikaanse economie sneller groeit, maar wel dat dit automatisch betekent dat Europeanen hun welvaart verliezen. Hij wijst erop dat productiviteit op verschillende manieren kan worden berekend. Bij een methode die inflatie uit de cijfers haalt, lijkt Europa sinds de eeuwwisseling duidelijk achteropgeraakt. Een alternatieve berekening, waarin prijsverschillen tussen landen worden verrekend, laat een veel stabieler beeld zien.
Nederland illustreert dat verschil. Op basis van inflatiegecorrigeerde cijfers lijkt de Nederlandse productiviteit ten opzichte van de VS sterk te zijn gedaald. Wordt echter gerekend met actuele prijzen en koopkrachtcorrecties, dan is de verhouding sinds 2000 ongeveer gelijk gebleven en ligt Nederland zelfs iets boven de Amerikaanse productiviteit. Krugman vindt het onaannemelijk dat Nederlanders rond 2000 een kwart productiever waren dan Amerikanen, zoals de eerste methode indirect suggereert. Aghion en zijn medestanders accepteren die uitkomst wel en zien juist daarin bewijs dat Europa sindsdien achterstand heeft opgelopen.
Een mogelijke verklaring ligt in de manier waarop statistici technologische vooruitgang verwerken. De Amerikaanse techsector is verantwoordelijk voor een groot deel van de productiviteitsgroei in de VS. Kwaliteitsverbeteringen van bijvoorbeeld smartphones worden in Amerikaanse statistieken sterker vertaald naar economische groei dan in Europese berekeningen. Europese consumenten profiteren daardoor wel van betere technologie zonder daar veel meer voor te betalen, terwijl de extra waarde vooral zichtbaar wordt in Amerikaanse bedrijfswinsten en productiviteitscijfers. Aghion ziet dit niet als een onschuldige meetkwestie: de technologische voorsprong zou ook Amerikaanse lonen en inkomsten buiten de techsector opstuwen.
De economische ontwikkeling verschilt bovendien sterk per Europees land. Polen behoort inmiddels tot de twintig grootste economieën ter wereld. De productiviteit groeide er sinds 2000 gemiddeld met 3,2 procent per jaar en de materiële levensstandaard steeg van 48 naar 81 procent van het EU-gemiddelde. Ook Scandinavië, de Benelux en Zwitserland staan er relatief beter voor. Vooral Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk kampen met een zwakke productiviteitsontwikkeling. De Europese situatie is dus niet overal hetzelfde.
De discussie gaat ook over de betekenis van welvaart. Europeanen leven gemiddeld langer, werken minder uren, hebben doorgaans minder inkomensongelijkheid en beschikken over een uitgebreider sociaal vangnet. Hun ecologische voetafdruk en moordcijfer zijn lager. Amerikanen hebben daarentegen grotere woningen, meer auto’s en hogere gemiddelde inkomens. Van de twintig waardevolste bedrijven ter wereld is het merendeel Amerikaans; ASML is een van de weinige Europese uitzonderingen. Sinds 2000 stegen de besteedbare inkomens per Amerikaan bovendien bijna tweemaal zo snel als die van Europeanen.
Achter het economische meningsverschil schuilt een politieke tegenstelling. Aghion, die zich baseert op het idee van voortdurende innovatie en vernieuwing, vreest dat Europa te weinig investeert in kunstmatige intelligentie, energie en technologie. Krugman legt juist de nadruk op de sociale schade van snelle economische veranderingen en op de kwaliteit van publieke voorzieningen. Daarmee is de vraag niet alleen hoe groot de economie is, maar ook welke vorm van welvaart Europa wil behouden en of daarvoor ingrijpende hervormingen nodig zijn.
Vandaag Inside: Johan Derksen over paginagrote advertentie Joop van den Ende met kritiek op troonrede: 'Belachelijk!'