Is de briljante neuroloog Oliver Sacks een oplichter?
In dit artikel:
Op 7 januari 2026 reflecteert de columnist op een recent stuk van Rachel Aviv in The New Yorker dat nieuwe, ingrijpende details over Oliver Sacks naar buiten bracht. Sacks, internationaal beroemd geworden met Het boek vaak aangeduid als The Man Who Mistook His Wife for a Hat (1985), noemde die casestudies zelf ooit “sprookjes” en verklapte in privébrieven dat veel van zijn verhalen half‑verzonnen waren. Aviv beschrijft ook Sacks’ persoonlijke worstelingen: een diep gevoel van eenzaamheid, schuld rond zijn seksualiteit en intieme gedragingen die hij jarenlang voor zichzelf hield en pas op hoge leeftijd deels publiekelijk erkende.
De columnist worstelt met de ethische consequenties: als Sacks medische details heeft verzonnen, schaadt dat niet alleen zijn reputatie als wetenschapper maar ondermijnt het ook het vertrouwen en de medische praktijk. Vergelijkingen met de gebrekkige waarheidsgetrouwheid van auteur Boudewijn Büch worden gemaakt: waar Büch feiten vervormde om literaire of commerciële redenen, zou Sacks’ fictie binnen klinische verhalen de grens tussen literatuur en medische integriteit overschreden hebben. Critici stellen dat het verzinnen van medische observaties geen grijs gebied is maar wanpraktijk.
Tegelijk blijft de schrijver van dit stuk bewondering uitspreken voor Sacks als auteur en denker. Ondanks mogelijke verzinsels waardeert hij de scherpte van Sacks’ analyses en de manier waarop Sacks andermans ‘demonen’ ontleedde — terwijl hij blijkbaar zijn eigen demonen onderdrukte. De essentie van de reflectie is ambivalent: Sacks valt als betrouwbare neuroloog door de mand, maar blijft als schrijver en persoonlijkheid intrigerend. De columnist sluit met de vraag hoe men nu naar diens casestudies moet kijken: als literair vernuft met voetnoten, of als ethisch problematische medische verhalen.