Iran is een 'oorlogsstaat' geworden, ziet Mehdi Khalaji, analist en zoon van een ayatollah. 'Alles is nu mogelijk'

maandag, 12 oktober 2026 (18:46) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

De Iraanse schrijver en analist Mehdi Khalaji noemt Iran na de Amerikaanse en Israëlische aanval van 28 februari geen revolutionaire staat meer, maar een ‘oorlogsstaat’. De oorlog is volgens hem geen tijdelijke uitzonderingstoestand geworden, maar de permanente logica van het bestuur. De Revolutionaire Garde heeft de feitelijke macht in handen, terwijl de nieuwe opperste leider Mojtaba Khamenei vooral als façade dient om de indruk van continuïteit te wekken. Zijn vader, ayatollah Ali Khamenei, en tientallen andere leiders kwamen bij de aanval om. Wie Iran precies bestuurt, is nog onduidelijk; ondertussen onderhandelen Iraanse diplomaten via bemiddelaars met de Verenigde Staten en dreigt de Garde met aanvallen op Amerikaanse doelen.

In Iran neemt de militarisering zichtbaar toe. Op televisie worden wapens gedemonstreerd, burgers krijgen schiettraining en ballistische raketten worden publiekelijk getoond. In het parlement klinkt openlijk steun voor de ontwikkeling van een atoombom. Khalaji verwacht bovendien dat het regime, zodra het zich militair iets veiliger voelt, de binnenlandse onderdrukking verder opvoert. Executies gaan al door en politieke rivalen binnen het systeem van de Garde kunnen volgens hem om economische, ideologische en strategische redenen met elkaar botsen. Een terugkeer naar de oude orde acht hij onwaarschijnlijk; eerder ziet hij een overgang naar een andere vorm van militarisme en autoritarisme.

Khalaji baseert zijn oordeel op zijn achtergrond. Hij werd in 1973 geboren in Qom als zoon van een ayatollah en studeerde vanaf zijn elfde aan een religieus seminarie. Als tiener raakte hij teleurgesteld in de idealen van de Islamitische Revolutie, nadat hij zag hoe kritische geestelijken werden vervolgd en geëxecuteerd. Via geheime lessen maakte hij kennis met de westerse filosofie. In 2000 verliet hij Iran, studeerde in Parijs en werkte later als analist voor BBC Persian en als onderzoeker bij het Washington Institute for Near East Policy. Sinds zijn vertrek daar in 2023 bekritiseert hij zowel het Iraanse regime als de oppositie, die volgens hem wel de macht wil breken maar geen plan heeft voor een vrij Iran.

De dood van Khamenei kan volgens Khalaji het Iraanse kernprogramma een nieuwe impuls geven. De religieuze fatwa van Khamenei tegen kernwapens is in zijn ogen geen betrouwbare garantie. Binnen het sjiitische politieke systeem bepalen leiders volgens hem zelf hoe religieuze regels worden geïnterpreteerd. Als het voortbestaan van de Islamitische Republiek dat vereist, kan een verbod worden omgezet in een plicht. De fatwa is daarom volgens Khalaji altijd veranderlijk geweest en vooral als diplomatiek instrument gebruikt.

Het nucleaire programma, het raketprogramma en het netwerk van regionale bondgenoten vormden de drie pijlers van Khameneis beleid. Alle drie staan nu onder druk. Iran kan volgens Khalaji een kernwapen nodig achten als afschrikmiddel: landen als Pakistan worden vanwege hun kernwapens moeilijker aangevallen, terwijl Libië na het opgeven van zijn nucleaire programma alsnog militair werd getroffen. Tegelijkertijd blijft onduidelijk of Teheran werkelijk een bom wil bouwen of vooral bluft. Propaganda is volgens Khalaji in Iran niet alleen ondersteuning van militaire macht, maar soms een vervanging ervan.

Ook de Iraanse invloed in het Midden-Oosten verzwakt. Iran steunt al decennia Hezbollah in Libanon, milities in Irak en de Houthi’s in Jemen. Die groepen vallen in de huidige oorlog Amerikaanse, Israëlische en Arabische belangen aan, waardoor de strijd zich uitbreidt naar de Golf en de Rode Zee. Khalaji waarschuwt echter dat sjiitische groepen niet als één blok achter Teheran moeten worden gezien. Hun banden met Iran zijn historisch, religieus, financieel en politiek, maar hun eigen belangen verschillen.

Iran presenteert zich al sinds de Safawidische dynastie als beschermer van sjiieten buiten zijn grenzen. Na 1979 versterkte Teheran die positie door ziekenhuizen, scholen, seminaries, liefdadigheidsorganisaties en wederopbouwprojecten te financieren in onder meer Libanon en Irak. Daardoor wonnen bondgenoten aan populariteit, vooral doordat zij zich ook als verdedigers van de Palestijnen profileren. Nu worden hun achterbannen volgens Khalaji echter meegesleept in een oorlog die niet de hunne is. In Libanon groeit daarom de druk om Hezbollah te ontwapenen; ook Iraakse milities zouden bereid zijn hun wapens aan de staat over te dragen.

De Houthi’s zijn voor Iran volgens Khalaji de laatste belangrijke regionale partner, na de verzwakking van Hamas, Hezbollah en het regime van Bashar al-Assad. Hun strijd draait echter vooral om macht in Jemen. Door de toegang tot de Rode Zee te beheersen, kunnen zij proberen zichzelf als regionale machtsfactor onmisbaar te maken. Net als bij de Straat van Hormuz werkt zo’n blokkade volgens Khalaji slechts tijdelijk: op termijn zoeken tegenstanders alternatieve routes en schaadt de afsluiting vooral degene die haar instelt.

Khalaji verwacht geen nieuwe, formeel uitgeroepen ‘war on terror’ tegen sjiitische bewegingen. Oorlogen worden tegenwoordig eerder gelegitimeerd met een ruim beroep op zelfverdediging, waardoor staten zelf bepalen wie tot hun ‘zelf’ behoort. Volgens hem maakt ook doelbewust vage en tegenstrijdige oorlogscommunicatie het publiek murw. Daardoor kunnen regeringen wetten, afschrikking en onderhandelingen naar believen inzetten, terwijl burgers steeds moeilijker kunnen beoordelen wat er werkelijk gebeurt.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Valentijn Driessen neemt geen blad voor de mond over radioshow van Johan Derksen