Iraakse vluchtelingen konden moeilijk aarden in Europa. Hoe vergaat het hun nu ze terug zijn in Bagdad?
In dit artikel:
Bagdad bruist opnieuw, maar onder die energie schuilt een ambivalente werkelijkheid: bijna de helft van de vijf miljoen Irakezen die ooit oorlog en geweld ontvluchtten, heeft zich in de hoofdstad gevestigd. Onder hen zijn vier kunstenaars — ooit deel van een jonge straatfilmgroep die zichzelf De Overlevenden noemde — die in de nasleep van de Amerikaanse invasie naar Europa trokken, daar voet probeerden te krijgen en uiteindelijk deels of volledig terugkeerden. Hun verhalen illustreren waarom sommigen terugkomen, wat ze meenamen uit Europa en welke obstakels hen in het teruggekeerde Irak tegemoetstaan.
Dhyaa Joda is filmmaker en een van de bekendste namen. Hij verliet Bagdad in 2005, kreeg in België verblijf dankzij filmmateriaal dat zijn ervaringen zichtbaar maakte en bouwde in Brussel een gezin op. Toch werkt hij steeds meer in Irak: hij filmt, documenteert en balanceert tussen Brussel en woningen in gloednieuwe woontorens in Bagdad. Zijn herinneringen aan het asielproces — het stigmatiserende verhoor, het nieuws van vermoorde vrienden tijdens de procedure — zijn pijnlijk, maar film leverde hem ook redding en bestaansrecht.
Bassem Hamad, een beeldhouwer uit die groep, overleefde het niet; zijn werk en nalatenschap blijven zichtbaar via collega’s en documentaires. Anderen konden zich in Europa redden, maar niet altijd op de manier die ze hadden gehoopt. Kuhel Khalid, acteur en regisseur, belandde in Londen, werkte onder meer bij een pizzaketen en keerde terug om in Bagdad publiek en reputatie opnieuw op te bouwen. Ali Daim Mailiki bezocht Zweden met een dansgezelschap, werkte daar als kapper en model, maar verkocht later zijn zaak en keerde terug om zijn vader te verzorgen en opnieuw podiumwerk te maken. Akram Assam deed een master in Amsterdam, ontwikkelde zich professioneel en keerde terug als vaste regisseur bij het Nationaal Theater. Mais Algayyar keerde uit Antwerpen terug om The Gallery te managen, een nieuwe tentoonstellingsruimte die het kunstleven in Bagdad wil openstellen voor een divers publiek.
Hun gezamenlijke ervaringen in Europa waren gemengd. Ze kregen vaak alleen aandacht voor oorlogsthema’s en waren geconfronteerd met wantrouwen, stereotypering en bureaucratische barrières. Diploma’s moesten opnieuw erkend worden, taal en netwerken ontbraken, en veel van hen werden gereduceerd tot functies die niets met hun vak te maken hadden. Voor wie wél succes had, bracht dat ook vervreemding — de erkenning voelde soms vluchtig en ondiep. De IOM stelde in 2023 vast dat lange, onsuccesvolle asielprocedures en financiële onzekerheid belangrijke redenen zijn voor terugkeer; eenmaal terug blijft wonen en inkomen echter een groot probleem voor velen.
Toch gingen de teruggekeerde kunstenaars niet louter terug uit nostalgie. Sommigen voelden in Europa weinig mogelijkheid om hun werk op hun eigen voorwaarden te maken of om maatschappelijk invloedrijk te zijn. In Bagdad vonden ze de ruimte om publiek te bereiken, maatschappelijke debatten aan te jagen en culturele infrastructuur op te bouwen. Akram wilde theater maken over het alledaagse, over keuzes tussen carrière en partner, en niet alleen over oorlogsgeweld; zijn voorstellingen trokken volle zalen. Mais zet in op het verbinden van kunstenaars met een breed publiek en op het tonen van andere thema’s dan de gebruikelijke oorlogstopics. Ali bouwde met zijn dansgezelschap een vorm van theater-dans die het collectieve geheugen van geweld abstract maakt en toch voelbaar houdt.
Terugkeer betekent echter niet het einde van strijd. Ze botsen tegen bureaucratie (erkenning van buitenlandse diploma’s, corruptie bij subsidie-uitdeling), tegen sociale jaloezie en soms vijandigheid van collega’s, en tegen een snel veranderende stad: Torenbouw en luxevoorzieningen flankeren monumenten en pleinen die in 2019 centraal stonden bij massaprotesten. Woningen zijn schaars en duur; zorg en openbare voorzieningen blijven gebrekkig. De IOM-cijfers waarschuwen dat tachtig procent van de terugkeerders moeite heeft met huisvesting en dat bijna de helft binnen een half jaar opnieuw wil vertrekken.
De kunstenaars zelf dragen een mengeling van idealisme en pragmatisme. Ze brengen naar Bagdad elementen die ze in Europa leerden — discipline, productievaardigheden, het lef om ‘nee’ te zeggen — maar ook een voortdurende zelfverantwoording: zich telkens moeten bewijzen, zowel artistiek als maatschappelijk. Voor sommigen is het werk een manier om collectief geheugen en trauma te verwerken zonder het geweld telkens expliciet te tonen; voor anderen is het creëren van nieuwe culturele instituten zelf politieke daad.
Het verhaal van deze Overlevenden laat zien dat terugkeer niet simpelweg thuiskomst is. Het is een strategische keuze, deels ingegeven door falende opvang en kansen in Europa, deels door de wens om bij te dragen aan een land dat zich herbouwt. Bagdad biedt opnieuw mogelijkheden en zichtbaarheid — maar ook nieuwe ongelijkheden en de pijn van privatisering en onvoltooide hervormingen. Voor de kunstenaars blijft de keuze tussen blijven en vertrekken voorlopig open, een reflectie van een groter migratieparadigma: mensen veranderen met elke verhuizing en vinden zelden een definitieve plek om te landen.