Insecten in laagveen hebben gradiënten nodig
In dit artikel:
OBN Natuurkennis liet de Vlinderstichting onderzoeken welke kenmerken van laagveengebieden belangrijk zijn voor insecten, omdat ook daar veel soorten — zoals zweefvliegen, libellen en dag- en nachtvlinders — achteruitgaan en vooral de gevoelige soorten dalende trends tonen. Het onderzoek (publicatie 17 feb 2026) richtte zich op de rol van ruimtelijke gradiënten: de overgangszones tussen open water, rietland, natter en droger terrein en tussen open vegetatie en struik/bos.
Met satellietbeelden (NDVI) bepaalden de onderzoekers hoe breed en productief de groene oeverstrook is; bredere, geleidelijke gradiënten bleken samen te hangen met rijkere insectengemeenschappen en meer specialistische laagveensoorten. Ook onderzochten ze de plantchemie van riet en moerasviooltje langs die overgangen: calciumgehaltes namen uit het algemeen wat af verder van het water (een teken van verzuring), maar de verschillen waren kleinschalig en sterk gebiedsafhankelijk. In tegenstelling tot arme zandgronden lijkt voedingskwaliteit van deze plantensoorten in laagveen minder vaak het grootste knelpunt voor herbivoren.
Praktische conclusie voor beheer: behoud en versterking van ruimtelijke gradiënten langs watergangen is cruciaal. Dat vraagt sturing naar jonge successiestadia en aanvoer van bufferende stoffen om verzuring te beperken. De ontwikkelde NDVI-methode biedt een instrument om veranderingen in die gradiënten tijdens successie te monitoren. Meer details staan in het OBN-rapport; er is ook een veldwerkplaats gepland op 8 mei 2026.