Inflatie stijgt nauwelijks, maar dat is de stilte voor de storm
In dit artikel:
In april bleef de inflatie vrijwel stabiel: 2,8 procent tegenover 2,7 procent in maart. Dat was een opluchting, omdat veel economen verwachtten dat de sterk gestegen olie- en gasprijzen de inflatie veel sterker zouden opdrijven. Energie duwt niet alleen direct op de kosten van tanken en energiecontracten, maar kan ook via hogere productiekosten doorwerken in andere prijzen.
Econoom Aggie van Huisseling (ABN Amro) en Marcel Klok van ING benadrukken dat de volle impact nog niet zichtbaar is. Een belangrijke reden is dat veel huishoudens en bedrijven nog onder oude, vaste energiecontracten zitten; pas bij vernieuwing van die contracten komen de hogere tarieven door. Daarnaast werkt hogere energieprijs vertraagd door in voedings- en andere consumentenprijzen — Klok noemt een doorwerkingstijd van ongeveer zes tot negen maanden — waardoor de grootste prijsstijgingen waarschijnlijk later dit jaar volgen. ING verwacht dat inflatie in de tweede helft van het jaar kan pieken rond 4 procent en voor heel 2024 op circa 3,4 procent uitkomt.
De recente stijging doorbreekt de eerdere dalende trend richting het streefniveau van 2 procent en voedt pessimisme onder consumenten. Dat kan leiden tot vroegere en hogere loon-eisen van vakbonden om koopkrachtverlies te voorkomen. Of lonen de koopkracht volledig herstellen is nog onzeker: de arbeidsmarkt is minder krap dan tijdens de vorige inflatiegolf, wat de onderhandelingsmacht van werknemers beperkt.